Algemene plaatselijke verordening BETA Foutje gevonden? Laatste controle 13-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
HOOFDSTUK REGULIERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Artikel 4:1

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

    2. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

    3. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

    4. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

    5. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

    6. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

    7. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

    8. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing;

    9. langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: (LAr.LT) het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai;

    10. geluidniveau: (LAmax) maximaal geluidsniveau gemeten in de meterstand of , als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 dan wel artikel 6.12 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  4. Door of namens het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  5. Tijdens het van toepassing zijn van een collectieve festiviteit, mag het geluidsniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel.

Dagperiode (7.00-19.00

uur) Avondperiode

(19.00-23.00

uur) Nachtperiode

(23.00-7.00 uur)

LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 68 dB(A) 63 dB(A) 58 dB(A)

LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 53 dB(A) 48 dB(A) 43 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 78 dB(A) 73 dB(A) 68 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 63 dB(A) 58 dB(A) B(A)

  1. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  2. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 dan wel 6.12 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 02:00 uur te worden beëindigd.

  3. De collectieve ontheffing geldt niet voor horecabedrijven, die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht ten einde te voorkomen dat de algemeen geldende geluidnormen, zoals opgenomen in het Besluit, tijdens de normale bedrijfsvoering worden overschreden en/of gedurende een periode zes maanden voorafgaande aan de datum de geldende geluidsnorm hebben overtreden.

Artikel 4:3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 dan wel 6.12 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  3. Door of namens het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  6. Tijdens het van toepassing zijn van een incidentele festiviteit, mag het geluidsniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel.

7.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 7.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 68 dB(A) 63 dB(A) 58 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 53 dB(A) 48 dB(A) 43 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 83 dB(A) 78 dB(A) 73 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 68 dB(A) 63 dB(A) B(A)

  1. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  2. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 dan wel 6.12 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening uiterlijk om 02.00 uur beëindigd.

  3. De geluidsnorm als bedoeld in het zevende lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  4. De incidentele ontheffing geldt niet voor horecabedrijven, die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht ten einde te voorkomen dat de algemeen geldende geluidnormen, zoals opgenomen in het Besluit, tijdens de normale bedrijfsvoering worden overschreden en/of gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de verzochte datum de geldende geluidsnorm hebben overtreden.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Verordening.

Artikel 4:6A

Mosquito

  1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 6 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 6 maanden verlengen.

AFDELING 2. BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING

Artikel 4:7

(gereserveerd) Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:10

tot en met Artikel 4:12 (gereserveerd)

AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  1. Het is verboden op een door of namens het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het is verboden op een door of namens het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

  3. Door of namens het college kunnen bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Verordening Wegen Noord- Brabant 2010.

Artikel 4:16

Handelsreclame op of aan de weg

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4:15 is het verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.

  2. Het verbod geldt niet voor onverlichte:

    1. reclame op objecten die bij de gemeente in beheer zijn en waarvoor met de gemeente over het gebruik van die objecten voor handelsreclame een overeenkomst is aangegaan;

    2. reclame op Abri's die als gevolg van de aangegane overeenkomst zijn geplaatst als openbaar vervoersvoorziening;

    3. reclame welke is aangebracht op de uitstallingen welke conform artikel 2:10, vierde lid mogen worden geplaatst;

    4. aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg.

    5. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door het college.

    6. opschriften of aankondigingen kleiner dan 1 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:

    7. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

    8. het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd.

    9. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben.

    10. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.

  3. Indien voor het aanbrengen van reclame-uitingen op of aan een onroerende zaak een vergunning krachtens andere wetgeving verleend is het eerste lid niet toepassing.

AFDELING 5. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN

Artikel 4:17

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein en voor het plaatsen van een paraplu of kampeertentje ten behoeve van het nachtvissen..

  3. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    1. de bescherming van natuur en landschap; of

    2. de bescherming van een stadsgezicht.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Door of namens het college kunnen plaatsen worden aangewezen waarop het verbod van artikel 4:18, eerste lid niet geldt.

  2. Door of namens het college kunnen daarbij nadere regels worden gesteld in het belang van de gronden, genoemd artikel 4:18, vierde lid.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening