1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. het verbranden van zieke planten en houtopstanden waarvoor het plantenziektekundige onderdeel van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit te Wageningen schriftelijk het advies geeft dat het noodzakelijk is deze planten of houtopstanden spoedig ter plaatse te verbranden;

    2. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    3. sfeervuren in vuurkorven, voor zover er geen afvalstoffen worden verbrand, het hout schoon, droog, niet geverfd en niet verduurzaamd is, en de vuurkorven een maximale inhoud hebben van 25 liter;

    4. vuur voor koken, bakken en braden.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod voor:

    1. het in de maanden november tot en met april verbranden van kap- en snoeihout;

    2. vuren bij de jaarwisseling. Het college kan hiervoor ook een ontheffing van het verbod verlenen die geldt voor 30 december in het geval 31 december op een zondag valt;

    3. kampvuren op het recreatieterrein Zeumeren.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Gelderland.