1. Het college kan openbare plaatsen aanwijzen waar het verboden is in de open lucht te roken:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    2. ter bescherming van de woon- en leefomgeving;

    3. ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu of de gezondheid door rook of stank; of

    4. in het belang van het doelmatig gebruik van een openbare plaats of van de weg.

  2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin de Tabaks- en rookwarenwet voorziet.