Algemene Plaatselijke Verordening 2008 BETA Foutje gevonden?

Inhoud

Hoofdstuk

Toelichting

Artikel 1.1

Definities

Bouwwerk: de definitie is (gedeeltelijk) ontleend aan bijlage A van de Omgevingswet.

Gebouw: de definitie is (gedeeltelijk) ontleend aan de Woningwet en moet in samenhang met de definitie van bouwwerk worden gelezen.

Horecabedrijf: Onder de reikwijdte van het begrip horecabedrijf onder a vallen een hotel, restaurant, café, cafetaria, snackbar, discotheek, koffiehuis en aanverwante inrichtingen zoals een afhaalrestaurant, automatiek, ijssalon, ontmoetingscentrum, buurthuis, zalenverhuurbedrijf, kiosk, bistro, crêperie, croissanterie, sociëteit, verenigingsgebouw en sportkantine. Deze opsomming zal nooit volledig zijn aangezien geregeld nieuwe horecaconcepten worden bedacht: cruciaal is dat het gaat om het bedrijfsmatig of in een mate alsof het bedrijfsmatig is dranken worden geschonken en spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt in een voor publiek toegankelijke besloten ruimte.

Ook gevelverkoop valt onder het horecabegrip. Dit was voorafgaand aan de inwerkingtreding van de horecaregeling als onderdeel van het omgevingsplan niet het geval. Naast eten en drinken zijn ook zaken die shisha, waterpijptabak en andere genotsmiddelen aanbieden voor consumptie ter plaatse aangemerkt als horecabedrijf.

Openbaar water: de definitie is ontleend aan de Verordening op de Haven en het Binnenwater. De term “openbaar” heeft geen bijzondere juridische betekenis. Het gaat om water dat feitelijk voor het publiek toegankelijk is.

Rechthebbende: het eerste deel van de definitie knoopt aan bij het begrip zoals dat in het privaatrecht wordt gehanteerd. Het gaat om een ruime omschrijving. Zo is bijvoorbeeld niet alleen de eigenaar, maar ook de huurder van een pand rechthebbende. Daarnaast is ook de persoon die de feitelijke macht uitoefent over een zaak onder de definitie van rechthebbende gebracht.

Reclame: reclame is in het algemeen iedere vorm van aanprijzing van een dienst, activiteit, een goed of een naam. Vanwege de toevoeging “commercieel belang” valt het openbaren van gedachten en gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet niet onder deze definitie.

Vaartuig: de definitie is ontleend aan de omschrijving van schip uit de Verordening op de Haven en het Binnenwater.

Voertuig: de definitie is (deels) ontleend aan het Reglement verkeersregels en verkeerstekens en bestaat feitelijk uit een opsomming van mogelijke voertuigen.

Weg: deze definitie geeft een ruime omschrijving van wat onder weg moet worden verstaan. In aanvulling op wat de Wegenverkeerswet 1994 onder de weg verstaat (namelijk de feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande wegen met toebehoren) verstaan we in de APV ook voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en diverse andere plaatsen buiten en in gebouwen die tot de openbare ruimte behoren onder de weg. Wanneer deze zijn afgesloten behoren ze niet tot de openbare ruimte, de APV bepalingen zijn dus niet van toepassing tijdens die tijden. Beperkingen aan de toegankelijkheid anders dan een rechtmatige afsluiting maken echter niet dat geen sprake meer is van openbare ruimte. De APV blijft dan ook van toepassing.

In een aantal APV-bepalingen wordt de term “op of aan de weg gebruikt”. Als dat het geval is geldt de betreffende bepaling ook op plaatsen die strikt genomen geen weg zijn zoals gedefinieerd in artikel 1.1, maar zich wel in de nabijheid daarvan bevinden. Een bepaling kan dan ook gelden op een privé-terrein, omdat er een duidelijke relatie is met of een uitstraling naar de weg.

Artikel 2.18A

Hinder in en om de woning

Eerste lid. Het eerste lid bevat de norm (een zorgplicht) die elke gebruiker of ingebruikgever moet naleven. Deze zorgplicht is gericht tot degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt en degene die tegen betaling een woning in gebruik geeft. Deze bepaling kan gebruikt worden als omwonenden ernstige hinder ondervinden door gedrag van gebruikers van een woning. Bij ernstige hinder is sprake van dusdanige hinder dat omwonenden herhaaldelijk in hun woongenot worden aangetast. Het gaat dan bijvoorbeeld om geluidsoverlast waardoor bewoners meermaals onvoldoende nachtrust hebben, intimiderende of agressieve gedragingen van omwonenden of ernstige vervuiling van een woning waardoor omwonenden last hebben van stank. Het gaat om gevallen waarbij, naar het oordeel van de burgemeester, niet van omwonenden verwacht kan worden dat zij de hinder dulden of zelf oplossen, of waarbij het initiatief van omwonenden tot een oplossing te komen niet tot einde van de hinder heeft geleid.

Omdat in Amsterdam veel mensen op een kleine oppervlakte wonen is enige mate van hinder van omwonenden onontkoombaar. Zo kan een bewoner er last van hebben als andere omwonenden hard op de gemeenschappelijke trap lopen, jonge kinderen hebben die vroeg wakker zijn, overdag een instrument bespelen, kinderen die buiten spelen of een aantal keer per jaar een barbecue houden in de gemeenschappelijke binnentuin. Voor dergelijke gevallen is deze bepaling niet bedoeld. Bij reguliere burenconflicten, conflicten die passen bij het dicht bij elkaar wonen van veel mensen, is het aan de bewoners om daarvoor een oplossing te vinden. In die gevallen is sprake van een normaal maatschappelijk risico: enige mate van hinder is, hoe vervelend dat ook kan zijn voor de betrokkenen, onvoldoende aanleiding voor de overheid om op te treden.

Ook zal alleen van deze bepaling gebruik gemaakt worden indien er geen redelijke andere oplossing voorhanden is, zoals optreden door de verhuurder of VVE of minnelijk overleg tussen de gebruiker, de omwonenden en/of de gemeente. Het is aan het oordeel van de burgemeester of de hinder ernstig en aannemelijk is en of er een andere redelijke oplossing voorhanden is.

De gebruiker is de persoon die (hoe kortdurend ook) woonachtig is in de woning. Het artikel is gebaseerd op artikel 151d van de Gemeentewet.

Tweede lid. In dit lid zijn de categorieën gedragingen opgenomen die in ieder geval worden opgevat als ernstig hinderlijk gedrag, waarmee de bepaling voldoende kenbaar en voorzienbaar is. Bij vervuiling in en om de woning wordt dan bijvoorbeeld gedacht aan het niet verwijderen van afval of het in ernstige mate niet schoonhouden van de woning. Bij intimiderende uitingen of gedragingen wordt bijvoorbeeld gedacht aan schreeuwen en schelden, bedreigen met geweld, het bevuilen van een woning of het met regelmaat binnenkijken van andermans woning. Van gevaarzettend gedrag is sprake indien door gedragingen van gebruikers een gevaarlijke situatie bestaat, bijvoorbeeld brandgevaar.

Derde lid. In dit lid is de bevoegdheid van de burgemeester weergegeven om een last onder bestuursdwang op te leggen. Doorgaans zal de last in de vorm van een last onder dwangsom worden opgelegd (zie artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht). De last kan worden opgelegd aan de gebruiker van de woning (dat wil zeggen de veroorzaker van het hinderlijk gedrag) en aan de (ver)huurder of eigenaar van de woning. Het is aan het oordeel van de burgemeester of de last wordt opgelegd aan de gebruiker van de woning en/of aan de verhuurder/eigenaar van de woning. De last kan (ook) aan de verhuurder/eigenaar van de woning worden opgelegd in geval een verhuurder niet of niet voldoende optreedt tegen overlastgevende huurders of de overlast zelfs initieert, zoals een huisjesmelker die een treiterhuurder inzet. Ook biedt dit artikel een mogelijkheid om op te treden tegen de overlast die wordt veroorzaakt bij kortdurende verhuur van particuliere woningen. In het geval van vakantieverhuur ligt het niet voor de hand om de toeristen aan te spreken omdat deze binnen korte tijd vertrekken, maar is het meer zinvol om de verhuurder/eigenaar aan te spreken.

Een last onder bestuursdwang of dwangsom kan niet verder gaan dan het bewerkstelligen van het doel: de beëindiging van de hinder. Een last onder bestuursdwang kan bijvoorbeeld inhouden: het verbod om gedurende de nacht piano te spelen, het gebod om geen vuilnis in de gemeenschappelijke gang te laten staan of het verbod om bezoek te ontvangen in de woning. Per geval zal bij een last onder dwangsom het bedrag worden vastgesteld. De dwangsom kan bij een volgende overtreding worden geïnd.

Vierde lid. Een last onder bestuursdwang wordt enkel opgelegd indien de hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

Andere geschikte wijzen zijn bijvoorbeeld: gesprekken met bewoners, handhaving of beëindiging van de huurovereenkomst, maatregelen die kunnen worden opgelegd door een VVE zoals een boete of ontzegging of het inschakelen van bijvoorbeeld het Meldpunt Zorg en Woonoverlast. Dat betekent dat de maatregel vooral uitkomst zal bieden bij koopwoningen of in gevallen waarin de andere maatregelen niet tot een oplossing hebben geleid of niet waarschijnlijk tot een oplossing zullen leiden. Het is aan het oordeel van de burgemeester om te bepalen of een andere oplossing redelijkerwijs voorhanden is. Met deze bepaling is het ook mogelijk een tijdelijk huisverbod op te leggen (gelijk aan een huisverbod in de Wet tijdelijk huisverbod). Met het opleggen van een huisverbod kan voor rust tussen de omwonenden worden gezorgd.

Artikel 5.8A

Barbecueën

In dit artikel wordt aan het college de mogelijkheid geboden om gebieden aan te wijzen waar het verboden is om te barbecueën. Doel van dit artikel is het voorkomen van schade aan openbare (groen)voorzieningen en het tegengaan van overlast (onder meer stank, vervuiling en geluidshinder). Met barbecueën wordt bedoeld het bereiden van voedsel in de openlucht op een open vuur. Het artikel biedt lokaal maatwerk om gebieden aan te wijzen waar barbecueën tot onevenredige overlast en herstel- en schoonmaakkosten leidt of kan leiden. Deze plekken kunnen – eventueel tijdelijk – worden aangewezen als verbodsgebied. Ook kan bij de gebiedsaanwijzing worden bepaald waar barbecueën wel is toegestaan, eventueel op van gemeentewege geplaatste barbecues.

Artikel 5.18

Voeren van dieren

In dit artikel wordt aan het college de mogelijkheid geboden om gebieden aan te wijzen waar het verboden is om dieren te voeren. Doel van dit artikel is het tegengaan van het aantrekken van dieren die overlast geven, onder andere door vervuiling van de openbare ruimte en het overmatig voeren van dieren. Plekken waar overmatig wordt gevoerd en dus voedselresten achter blijven, trekken overlastgevende dieren aan die zich bovendien snel kunnen vermeerderen. Sommige dieren kunnen ziekten overdragen, zoals ratten de ziekte van Weil. Daarnaast geldt dat overmatig voeren kan leiden tot een aantasting van de waterkwaliteit. Het artikel biedt de mogelijkheid voor lokaal maatwerk: uitsluitend de plekken waar bovenstaande problemen zich voordoen of verwacht worden, kunnen – eventueel tijdelijk – worden aangewezen als verbodsgebied.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening 2008