1. De burgemeester kan een gebied of gebouw aanwijzen waarin het is verboden om zonder vergunning als bedoeld in artikel 3.64 bepaalde categorieën bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen die naar zijn oordeel de openbare orde of veiligheid verstoren, ondermijning veroorzaken of de spanning waaraan de leefbaarheid ter plaatse reeds bloot staat op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloeden.

  2. De burgemeester kan op grond van de belangen genoemd in het eerste lid gebouwen aanwijzen waar het verbod van artikel 3.64 van toepassing is als in de afgelopen vijf jaar vergunningen op basis van dat artikel aan een betrokkene bij de exploitatie van die gebouwen zijn geweigerd of buiten behandeling zijn gesteld.

  3. De burgemeester kan in het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het eerste en tweede lid bepalen dat er gedurende de openingstijden van de bedrijfsmatige activiteit een leidinggevende aanwezig is.