Deze paragraaf is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Algemene Plaatselijke Verordening 2008 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk Hoofdstuk 2 Orde en veiligheid
Hoofdstuk Hoofdstuk 3 Exploitatie van bedrijven
Artikel 1.11
Experimenteerbepaling
-
Onder experiment wordt in dit artikel verstaan: het tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent kan worden gemaakt.
-
Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover hem deze bevoegdheid toekomt, bij wijze van experiment besluiten om af te wijken van de volgende onderdelen in deze verordening:
artikel 2.40 (vergunningplicht evenement), 2.47 (evenementen in gebouwen), artikelen 2.49 tot en met 2.52 (uitoefenen beroep op de weg);
artikel 3.8 (exploitatievergunning), 3.12, 3.13 (openingstijden), 3.17 (terrassen), 3.18 (verbod op terras);
artikel 4.2 tot en met 4.5 (vastmaken en plaatsen van voorwerpen), artikel 4.7 (plakken en kladden), artikel 4.10 tot en met 4.12 (reclame), artikel 4.20 tot en met 4.27 (parkeerexcessen).
-
Voordat het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester een besluit, bedoeld in het tweede lid, neemt, zendt het college of de burgemeester het ontwerpbesluit naar de gemeenteraad en wordt de gemeenteraad gedurende vier weken in de gelegenheid gesteld zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Het college of de burgemeester informeert de gemeenteraad over het definitieve besluit en reageert daarbij op de wensen en bedenkingen.
-
In het besluit, bedoeld in het vorige lid, wordt in ieder geval vermeld:
van welke bepaling of bepalingen in deze verordening wordt afgeweken;
het doel van het experiment;
de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment;
de tijdsduur van het experiment, welke maximaal een jaar bedraagt;
het gebied waarin het experiment geldt.
-
Het experiment wordt na beëindiging van het experiment geëvalueerd. Indien de evaluatie leidt tot aanpassing van deze verordening in overeenstemming met de wijze waarop het experiment is uitgevoerd, kan het college of de burgemeester besluiten om het experiment met maximaal een jaar te verlengen.
Artikel 2.8A
Het alcoholoverlastgebied
-
Het gebied in bijlage 2 bij deze verordening wordt aangewezen als alcoholoverlastgebied in verband met ernstige aantasting van de openbare orde, de leefomgeving en de volksgezondheid door het gebruik van alcohol in dat gebied. Deze aanwijzing geldt tot 1 april 2027.
-
De burgemeester kan in het alcoholoverlastgebied;
de alcoholwetvergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet weigeren gelet op het geldende alcoholoverlastgebied.
eisen stellen aan de vergunning en deze beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
Het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse in inrichtingen verbieden.
-
In het alcoholoverlastgebied worden gelet op de belangen in het eerste lid geen nieuwe Alcoholwetvergunningen verleend, met uitzondering van locaties waar op of na de in bijlage 2 vermelde peildatum sprake was van een geldige Alcoholwetvergunning.
-
In het alcoholoverlastgebied is het op donderdag en zondag van 16:00 tot 03:00 en op vrijdag en zaterdag van 16:00 tot 04:00 verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet:
zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse te verstrekken;
zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aanwezig te hebben;
zonder dat deze is afgeschermd;
zonder dat kenbaar gemaakt wordt dat deze niet verstrekt mag worden;
alcoholhoudende drank;
zichtbaar uit te stallen in de etalage;
te promoten door middel van reclame in de etalage, in of rondom de onderneming;
sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse te verstrekken tenzij deze in een afgesloten tas wordt verstrekt en kenbaar wordt gemaakt dat in de openbare ruimte van het gebied een verbod op alcoholgebruik geldt.
-
Het vierde lid sub b onder i en sub c gelden niet voor slijtlokaliteiten.
Artikel 2.9
Verblijfsverbod algemeen overlastgebied
-
De burgemeester kan een tijdelijk verbod opleggen om gedurende 24 uur in een algemeen overlastgebied aanwezig te zijn aan degene die een van de volgende artikelen overtreedt of feiten of handelingen begaat;
artikel 2.2, eerste lid;
artikel 2.5, eerste lid;
artikel 2.7, eerste of tweede lid;
artikel 2.12, eerste lid;
artikel 2.17, eerste of tweede lid;
artikel 2.18, eerste of tweede lid;
artikel 2.21;
artikel 2.22, eerste lid;
artikel 131 Wetboek van Strafrecht;
artikel 350 Wetboek van Strafrecht;
artikel 426 Wetboek van Strafrecht;
zakkenrollerij;
geweldsdelicten pleegt;
diefstallen uit auto’s op of aan de weg pleegt, of
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft.
-
Als in het afgelopen jaar een verblijfsverbod voor 24 uur als bedoeld in het eerste lid aan de overtreder is opgelegd, kan de burgemeester hem bij herhaalde overtreding naast een verblijfsverbod voor 24 uur een verblijfsverbod voor een maand opleggen.
-
Als in het afgelopen jaar eerder een verblijfsverbod voor een maand als bedoeld in het tweede lid of een verblijfsverbod voor drie maanden aan de overtreder is opgelegd, kan de burgemeester hem bij herhaalde overtreding naast een verblijfsverbod voor 24 uur een verblijfsverbod voor drie maanden opleggen.
Artikel 2.10A
Geldautomaten
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde een gebruiks- of herplaatsingsverbod van een geldautomaat bevelen als daarop een plofkraak of poging tot plofkraak heeft plaatsgevonden.
-
De burgemeester trekt het verbod in als door de rechthebbende van de geldautomaat:
een veiligheidsonderzoek is uitgevoerd waarin de risico’s van de geldautomaat zijn onderzocht en
maatregelen naar aanleiding van het veiligheidsonderzoek zijn getroffen die naar het oordeel van de burgemeester voldoende zijn om het risico op een nieuwe plofkraak tegen te gaan.
-
In het veiligheidsonderzoek wordt in ieder geval meegenomen:
of er alternatieve locaties in de buurt zijn waar geen sprake is van boven- en naaste bewoning en
welke aanvullende veiligheidsmaatregelen mogelijk zijn tegen plofkraken.
-
De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot het verbod tot gebruik/herplaatsing op de geldautomaat, of in de directe nabijheid daarvan.
-
De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het bevel wordt aangebracht op de geldautomaat.
Artikel 2.16a
Aanwijzing van een gebied of gebouw als vergunningplichtig voor bepaalde bedrijfsmatige activiteiten
De burgemeester kan een gebied of gebouw aanwijzen waarin het is verboden om zonder vergunning als bedoeld in artikel 3.64 bepaalde categorieën bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen die naar zijn oordeel de openbare orde of veiligheid verstoren, ondermijning veroorzaken of de spanning waaraan de leefbaarheid ter plaatse reeds bloot staat op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloeden.
De burgemeester kan op grond van de belangen genoemd in het eerste lid gebouwen aanwijzen waar het verbod van artikel 3.64 van toepassing is als in de afgelopen vijf jaar vergunningen op basis van dat artikel aan een betrokkene bij de exploitatie van die gebouwen zijn geweigerd of buiten behandeling zijn gesteld.
De burgemeester kan in het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het eerste en tweede lid bepalen dat er gedurende de openingstijden van de bedrijfsmatige activiteit een leidinggevende aanwezig is.
Artikel 2.17B
Aanwezigheid medewerker met diploma sociale hygiëne op vervoermiddel
Indien op vergunde passagiersvaartuigen als bedoeld in artikel 2.4.1 van de Verordening op het binnenwater bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt, dient een medewerker aanwezig te zijn die voldoet aan de eis gesteld in artikel 8, derde lid van de Alcoholwet.
Artikel 2.17C
Fatbikes
Het is de bestuurder van een fatbike verboden zich op een fatbike te verplaatsen op door de burgemeester in het belang van de bescherming van de openbare orde of veiligheid aangewezen gebieden, wegen of weggedeelten.
Artikel 2.25a
meldingsplicht sensoren
-
In dit artikel wordt verstaan onder sensor: een kunstmatig zintuig dat wordt ingezet of kan worden ingezet om waarnemingen te doen en deze digitaal te verwerken of te laten verwerken.
-
Het is verboden om op of aan de weg, voertuig of vaartuig of in een voor publiek toegankelijk gebouw een sensor te plaatsen zonder dat hier ten minste vijf dagen van tevoren melding van wordt gemaakt en aangegeven wordt welke gegevens worden ingewonnen middels een door het college vastgesteld formulier. Van verwijdering van de sensor of wijziging van de ingewonnen gegevens wordt eveneens melding gemaakt.
-
Het verbod ziet niet op sensoren die door particulieren worden gebruikt of die door het bevoegd gezag worden ingezet voor de handhaving van de openbare orde en de opsporing van strafbare feiten.
-
Het college houdt van de meldingen een register bij.
Artikel 2.40a
Evenementenkalender
-
Het college stelt jaarlijks een evenementenkalender vast.
-
De organisator van een evenement met meer dan 1500 bezoekers meldt zich aan voor plaatsing op de evenementenkalender.
-
Het college stelt nadere regels vast over de vaststelling van de evenementenkalender. In de nadere regels wordt in ieder geval bepaald dat als sprake is van meer verzoeken tot plaatsing dan plekken op de evenementenkalender, verdeling van de schaarse plekken plaatsvindt door middel van een vergelijkende toets, behoudens onvoorziene ernstige nadelige gevolgen of in geval van een dwingende reden van algemeen belang.
Artikel 2.50A
Ter gebruik aanbieden van voertuigen op of aan de weg
-
Het is verboden zonder vergunning voertuigen, met inbegrip van de uitgezonderde voertuigen genoemd in de begripsbepaling in artikel 1, die op of aan de weg staan ter gebruik aan derden aan te bieden tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden.
-
Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden aangeboden op P+R parkeerterreinen en op voertuigen waarvoor het college een autodeelvergunning als bedoeld in de Parkeerverordening heeft verleend.
-
Het college kan stallingsplaatsen, wegen, weggedeelten of gebieden aanwijzen waar dit verbod voor het plaatsen en of ter gebruik aanbieden van voertuigen of categorieën van voertuigen als bedoeld in het eerste lid niet geldt.
-
Het college kan de vergunning weigeren of intrekken als het ter gebruik aanbieden
gevaar oplevert voor de veiligheid van de gebruikers, verkeersveiligheid of doorstroming van het verkeer;
hinder veroorzaakt voor het woon- en leefklimaat;
een nadelige invloed heeft op het milieu;
onevenredig beslag legt op de openbare ruimte;
afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;
in strijd wordt gehandeld met het bedrijfsconcept van de vergunninghouder
-
Het college kan nadere regels vaststellen;
ten aanzien van de aanvrager, categorie voertuigen, toelatingsvoorwaarden, kwaliteitseisen en exploitatievoorwaarden;
ten aanzien van een vergunningplafond, maximaal aantal voertuigen en beperkingsgebieden, gelet op de genoemde belangen in lid 3.
-
Als voor een categorie of type voertuig een vergunningplafond geldt, maakt het college een tijdvak bekend waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend. Overstijgt het aantal vergunningaanvragen het vergunningenplafond, dan wordt aan de hand van vooraf door het college vastgestelde criteria bepaald hoe en aan welke aanvrager(s) een vergunning wordt gegund.
-
Als het college als verdeelsystematiek een vergelijkende toets uitvoert, kan het college in afwijking van artikel 1.4, eerste en tweede lid een langere beslistermijn vaststellen.
-
Als een vergelijkende toets wordt uitgevoerd, dan maken de elementen van het in de vergunningaanvraag omschreven ‘bedrijfsconcept’, voor zover niet strijdig met de bij of krachtens deze verordening gestelde regels, onderdeel uit van de vergunning indien deze wordt verleend.
-
Het college kan ontheffing verlenen voor het verbod.
Artikel 3.16A
Verbod op prijsacties in de horeca
Het is verboden om bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse te verstrekken tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.
Artikel 3.64
Exploitatie van aangewezen bedrijfsactiviteit
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem op grond van artikel 2.16a aangewezen gebouw of gebied.
Artikel 3.65
Eisen aan de vergunningsaanvraag
-
De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
-
Naast het aanvraagformulier wordt bij een aanvraag ook een bedrijfsplan overlegd, waarin in ieder geval staat beschreven welke bedrijfsmatige activiteiten worden uitgevoerd en op welke wijze wordt voorkomen dat de ontoelaatbare extra druk op de leefbaarheid wordt veroorzaakt, openbare orde en veiligheid worden verstoord of ondermijnende activiteiten worden gefaciliteerd.
-
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden en op te nemen in het bedrijfsplan. De burgemeester verleend als aan de verplichtingen voor de exploitatie wordt voldaan een gewijzigde vergunning.
Artikel 3.66
Eisen aan de exploitant en de leidinggevende
De exploitant en de leidinggevende:
staan niet onder curatele of bewind en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij;
zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en
hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Artikel 3.67
Bijzondere weigeringsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 3.64 weigeren als
de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de eisen van artikel 3.66;
een eerdere vergunning voor de exploitatie van het bedrijf is ingetrokken of het bedrijf met toepassing van artikel 2.10 of van deze verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten;
er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zullen zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het Omgevingsplan of de Wet Milieubeheer;
het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.65 naar zijn oordeel onvoldoende garanties geeft dat bedrijfsmatige activiteit de openbare orde of de veiligheid niet nadelig beïnvloedt, ontoelaatbare druk op de leefbaarheid oplevert of ondermijning faciliteert.
de aanvraag is gericht op het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteit in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking is verleend als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet;
de wijze van bedrijfsvoering daartoe aanleiding geeft.
Artikel 3.68
Bijzondere gronden voor intrekking
De burgemeester kan de vergunning intrekken als
het aannemelijk is dat inbedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of de openbare orde in of om het bedrijf, de openbare orde en veiligheid op andere wijze in gedrang komen door de exploitatie van het bedrijf of aannemelijk is dat er sprake is van ondermijning als gevolg van de exploitatie van het bedrijf;
in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000;
in strijd wordt gehandeld met wat de exploitant in het bedrijfsplan heeft opgenomen;
van wijzigingen in de exploitatie of het bedrijfsplan geen voorafgaande mededeling is gedaan aan de burgemeester of als na mededeling de exploitatie of het bedrijfsplan niet meer voldoen aan de eisen gesteld in artikel 3.65;
de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen van artikel 3.66;
de exploitant of leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;
in strijd wordt gehandeld met de verplichting opgelegd op grond van artikel 2.16 a lid 3 als dit lid is toegepast.
Artikel 3.69
Bestaande bedrijven
Voor aangewezen bedrijfsmatige activiteiten die op het tijdstip van de aanwijzing reeds worden uitgeoefend stelt de burgemeester een termijn vast waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 3.64 in werking treedt.
Artikel 3.70
Sluiting bedrijf
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat of het voorkomen van ondermijning tijdelijk de sluiting van één of meer bedrijven bevelen.
Artikel 4.19A
Definitie weg
In deze paragraaf wordt verstaan onder weg de voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten, alsmede de -al dan niet met enige beperking- voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en parkeergebouwen;
Artikel 5.3
Afsteekverbod vuurwerk
Het is verboden vuurwerk, anders dan bedrijfsmatig, tot ontbranding te brengen. Met uitzondering van fop- en schertsvuurwerk.
Artikel 5.3A
Verbod carbidschieten
-
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumcarbide (carbid) en water of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
-
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.18A
Hinder in en om de woning
Eerste lid. Het eerste lid bevat de norm (een zorgplicht) die elke gebruiker of ingebruikgever moet naleven. Deze zorgplicht is gericht tot degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt en degene die tegen betaling een woning in gebruik geeft. Deze bepaling kan gebruikt worden als omwonenden ernstige hinder ondervinden door gedrag van gebruikers van een woning. Bij ernstige hinder is sprake van dusdanige hinder dat omwonenden herhaaldelijk in hun woongenot worden aangetast. Het gaat dan bijvoorbeeld om geluidsoverlast waardoor bewoners meermaals onvoldoende nachtrust hebben, intimiderende of agressieve gedragingen van omwonenden of ernstige vervuiling van een woning waardoor omwonenden last hebben van stank. Het gaat om gevallen waarbij, naar het oordeel van de burgemeester, niet van omwonenden verwacht kan worden dat zij de hinder dulden of zelf oplossen, of waarbij het initiatief van omwonenden tot een oplossing te komen niet tot einde van de hinder heeft geleid.
Omdat in Amsterdam veel mensen op een kleine oppervlakte wonen is enige mate van hinder van omwonenden onontkoombaar. Zo kan een bewoner er last van hebben als andere omwonenden hard op de gemeenschappelijke trap lopen, jonge kinderen hebben die vroeg wakker zijn, overdag een instrument bespelen, kinderen die buiten spelen of een aantal keer per jaar een barbecue houden in de gemeenschappelijke binnentuin. Voor dergelijke gevallen is deze bepaling niet bedoeld. Bij reguliere burenconflicten, conflicten die passen bij het dicht bij elkaar wonen van veel mensen, is het aan de bewoners om daarvoor een oplossing te vinden. In die gevallen is sprake van een normaal maatschappelijk risico: enige mate van hinder is, hoe vervelend dat ook kan zijn voor de betrokkenen, onvoldoende aanleiding voor de overheid om op te treden.
Ook zal alleen van deze bepaling gebruik gemaakt worden indien er geen redelijke andere oplossing voorhanden is, zoals optreden door de verhuurder of VVE of minnelijk overleg tussen de gebruiker, de omwonenden en/of de gemeente. Het is aan het oordeel van de burgemeester of de hinder ernstig en aannemelijk is en of er een andere redelijke oplossing voorhanden is.
De gebruiker is de persoon die (hoe kortdurend ook) woonachtig is in de woning. Het artikel is gebaseerd op artikel 151d van de Gemeentewet.
Tweede lid. In dit lid zijn de categorieën gedragingen opgenomen die in ieder geval worden opgevat als ernstig hinderlijk gedrag, waarmee de bepaling voldoende kenbaar en voorzienbaar is. Bij vervuiling in en om de woning wordt dan bijvoorbeeld gedacht aan het niet verwijderen van afval of het in ernstige mate niet schoonhouden van de woning. Bij intimiderende uitingen of gedragingen wordt bijvoorbeeld gedacht aan schreeuwen en schelden, bedreigen met geweld, het bevuilen van een woning of het met regelmaat binnenkijken van andermans woning. Van gevaarzettend gedrag is sprake indien door gedragingen van gebruikers een gevaarlijke situatie bestaat, bijvoorbeeld brandgevaar.
Derde lid. In dit lid is de bevoegdheid van de burgemeester weergegeven om een last onder bestuursdwang op te leggen. Doorgaans zal de last in de vorm van een last onder dwangsom worden opgelegd (zie artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht). De last kan worden opgelegd aan de gebruiker van de woning (dat wil zeggen de veroorzaker van het hinderlijk gedrag) en aan de (ver)huurder of eigenaar van de woning. Het is aan het oordeel van de burgemeester of de last wordt opgelegd aan de gebruiker van de woning en/of aan de verhuurder/eigenaar van de woning. De last kan (ook) aan de verhuurder/eigenaar van de woning worden opgelegd in geval een verhuurder niet of niet voldoende optreedt tegen overlastgevende huurders of de overlast zelfs initieert, zoals een huisjesmelker die een treiterhuurder inzet. Ook biedt dit artikel een mogelijkheid om op te treden tegen de overlast die wordt veroorzaakt bij kortdurende verhuur van particuliere woningen. In het geval van vakantieverhuur ligt het niet voor de hand om de toeristen aan te spreken omdat deze binnen korte tijd vertrekken, maar is het meer zinvol om de verhuurder/eigenaar aan te spreken.
Een last onder bestuursdwang of dwangsom kan niet verder gaan dan het bewerkstelligen van het doel: de beëindiging van de hinder. Een last onder bestuursdwang kan bijvoorbeeld inhouden: het verbod om gedurende de nacht piano te spelen, het gebod om geen vuilnis in de gemeenschappelijke gang te laten staan of het verbod om bezoek te ontvangen in de woning. Per geval zal bij een last onder dwangsom het bedrag worden vastgesteld. De dwangsom kan bij een volgende overtreding worden geïnd.
Vierde lid. Een last onder bestuursdwang wordt enkel opgelegd indien de hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.
Andere geschikte wijzen zijn bijvoorbeeld: gesprekken met bewoners, handhaving of beëindiging van de huurovereenkomst, maatregelen die kunnen worden opgelegd door een VVE zoals een boete of ontzegging of het inschakelen van bijvoorbeeld het Meldpunt Zorg en Woonoverlast. Dat betekent dat de maatregel vooral uitkomst zal bieden bij koopwoningen of in gevallen waarin de andere maatregelen niet tot een oplossing hebben geleid of niet waarschijnlijk tot een oplossing zullen leiden. Het is aan het oordeel van de burgemeester om te bepalen of een andere oplossing redelijkerwijs voorhanden is. Met deze bepaling is het ook mogelijk een tijdelijk huisverbod op te leggen (gelijk aan een huisverbod in de Wet tijdelijk huisverbod). Met het opleggen van een huisverbod kan voor rust tussen de omwonenden worden gezorgd.
Artikel 5.8A
Barbecueën
In dit artikel wordt aan het college de mogelijkheid geboden om gebieden aan te wijzen waar het verboden is om te barbecueën. Doel van dit artikel is het voorkomen van schade aan openbare (groen)voorzieningen en het tegengaan van overlast (onder meer stank, vervuiling en geluidshinder). Met barbecueën wordt bedoeld het bereiden van voedsel in de openlucht op een open vuur. Het artikel biedt lokaal maatwerk om gebieden aan te wijzen waar barbecueën tot onevenredige overlast en herstel- en schoonmaakkosten leidt of kan leiden. Deze plekken kunnen – eventueel tijdelijk – worden aangewezen als verbodsgebied. Ook kan bij de gebiedsaanwijzing worden bepaald waar barbecueën wel is toegestaan, eventueel op van gemeentewege geplaatste barbecues.
Artikel 5.18
Voeren van dieren
In dit artikel wordt aan het college de mogelijkheid geboden om gebieden aan te wijzen waar het verboden is om dieren te voeren. Doel van dit artikel is het tegengaan van het aantrekken van dieren die overlast geven, onder andere door vervuiling van de openbare ruimte en het overmatig voeren van dieren. Plekken waar overmatig wordt gevoerd en dus voedselresten achter blijven, trekken overlastgevende dieren aan die zich bovendien snel kunnen vermeerderen. Sommige dieren kunnen ziekten overdragen, zoals ratten de ziekte van Weil. Daarnaast geldt dat overmatig voeren kan leiden tot een aantasting van de waterkwaliteit. Het artikel biedt de mogelijkheid voor lokaal maatwerk: uitsluitend de plekken waar bovenstaande problemen zich voordoen of verwacht worden, kunnen – eventueel tijdelijk – worden aangewezen als verbodsgebied.