1. De burgemeester kan de (gehele of gedeeltelijke) sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw – niet zijnde een horecabedrijf of seksinrichting – of een bij dat gebouw behorend erf of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is, als daar:

    1. is gehandeld in strijd met artikel 1 of 30b van de Wet op de Kansspelen;

    2. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn, dan wel verworven of overgedragen;

    3. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of

    4. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, het erf of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

  2. Onverminderd hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een afschrift van het bevel tot sluiting aan te brengen bij de toegang van het gebouw, het erf of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is verboden een gebouw, erf of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.

  5. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.