Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de exploitatievergunning intrekken indien:

  1. niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28a gestelde eisen;

  2. er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op grond van artikel 2:28d is gemeld;

  3. zich in of vanuit het betrokken horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

  4. de openbare orde, veiligheid of de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze wordt verstoord door de aanwezigheid van dat bedrijf;

  5. de aard van het horecabedrijf is gewijzigd zonder daartoe strekkende vergunning;

  6. de exploitant in een periode van twee jaar tenminste driemaal op grond van artikel 2:28d om bijschrijving van een leidinggevende op het aanhangsel bij de exploitatievergunning heeft verzocht, en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28d;

  7. zich een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2:28b voordoet.