Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken indien:
niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:40a gestelde eisen;
niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 30d, vierde lid, van de wet gestelde eisen;
zich in of vanuit de speelautomatenhal of het gamecentrum feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;
de openbare orde, veiligheid of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelautomatenhal of het gamecentrum op ontoelaatbare wijze wordt verstoord door de aanwezigheid van dat bedrijf;
niet voldaan wordt aan het gestelde in artikel 2:40e en 2:40f;
de vergunninghouder gedurende een periode van ten minste zes maanden geen gebruik van de vergunning heeft gemaakt;
de exploitatie van de speelautomatenhal of het gamecentrum in strijd is met het geldende omgevingsplan en die strijdigheid niet zal worden opgeheven.