-
De bewijzen van bekwaamheid tot het geven van het onderwijs bedoeld in artikel 9, eerste lid, aan een school zijn:
het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, met dien verstande dat dit getuigschrift voor wat betreft het onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening een bevoegdheid verleent voor de eerste twee leerjaren van het basisonderwijs;
de akte van bekwaamheid als leidster of hoofdleidster bij het kleuteronderwijs;
de getuigschriften die door Onze minister op grond van artikel 131, vierde lid, van de Kleuteronderwijswet, gelijk zijn gesteld met de akte van bekwaamheid als leidster, onderscheidenlijk als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs;
de akte van bekwaamheid als onderwijzer of hoofdonderwijzer;
de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer;
het diploma van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer of dat van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer voor buitenlandse onderwijsgevenden.
-
Zij die op 31 juli 1985 op grond van artikel 131, vijfde lid, van de Kleuteronderwijswet bevoegd zijn om als leidster, onderscheidenlijk hoofdleidster bij het kleuteronderwijs werkzaam te zijn, zijn met ingang van 1 augustus 1985 bevoegd tot het geven van basisonderwijs. Zij die voor 1 augustus 1985 belast zijn geweest met het onderwijs in het vak zingen bedoeld in artikel 2, eerste lid onder h, van de Lager-onderwijswet 1920 (Stb. 1974, 565), zijn bevoegd tot het geven van onderwijs in de expressie-activiteit muziek. Zij die op 31 juli 1998 bevoegd waren tot het geven van het onderwijs in taal en cultuur van het land van oorsprong, zijn bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 172, eerste lid. Voor zover aan deze bevoegdheid voorwaarden en beperkingen waren gesteld, blijven deze van kracht. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar in het bezit zijn van het bewijs van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, blijven bevoegd tot het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in alle leerjaren. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar een studie volgen die opleidt voor het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, waarvan het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000 deel uitmaakt, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid ten aanzien van het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in alle leerjaren indien zij bedoeld getuigschrift behalen voor een tijdstip dat bij hetzelfde koninklijk besluit wordt bepaald. Zij die tijdelijk zijn benoemd tot leraar op grond van artikel 2 van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs en die daarna het getuigschrift, bedoeld in artikel 6, derde lid, van die wet behalen, ontlenen aan dit getuigschrift een bevoegdheid tot het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening in alle leerjaren indien noodzakelijk geachte scholing, bedoeld in artikel 5 van die wet, voor dat vak werd gevolgd volgens het onderwijsprogramma voor lichamelijke opvoeding zoals dat werd uitgevoerd voor 1 september 2000.
-
Zij die op 31 juli 1998 bij een school voor speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs onderwijs geven als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals luidend op die datum en bevoegd zijn op basis van artikel 111, eerste lid onder f of g, van die wet, zijn bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 9, eerste lid.
-
De akten genoemd in het eerste lid onder a, b, d en e, en de diploma's genoemd in het eerste lid onder f, moeten zijn verkregen aan een van rijkswege bekostigd of aangewezen opleidingsinstituut, dan wel na het afleggen van een staatsexamen.
-
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bewijzen van bekwaamheid naast die, genoemd in het eerste lid, dan wel welke studies voor een bewijs van bekwaamheid in combinatie met een bepaald bewijs van bekwaamheid, genoemd in het eerste lid, een bevoegdheid verlenen onderscheidenlijk een tijdelijke bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs in een of meer van de in artikel 9, eerste lid, genoemde onderwijsactiviteiten en wordt tevens bepaald welke bewijzen van bekwaamheid bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs in de Friese taal.
-
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bewijzen van bekwaamheid bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs bedoeld in artikel 172, eerste lid.
Wet op het primair onderwijs Actueel
Inhoud
Hoofdstuk I Basisonderwijs
Titel I Algemene bepalingen
Titel II Openbaar en uit de openbare kassen bekostigd bijzonder onderwijs
Afdeling 1 Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs
§ 1 Onderwijs
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 9a
- Artikel 10
- Artikel 10a
- Artikel 10b
- Artikel 11
- Artikel 9b
- Artikel 11a
- Artikel 9c
- Artikel 11b
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 13bis
- Artikel 13a
- Artikel 13b
- Artikel 13c
- Artikel 13c1
- Artikel 13d
- Artikel 13e
- Artikel 13e1
- Artikel 13e2
- Artikel 13e3
- Artikel 13e4
- Artikel 13e5
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 17a
- Artikel 17b
- Artikel 17c
- Artikel 17d
§ 2 Zorgstructuur
§ 3 Personeel
§ 3a Lerarenregister
§ 4 Leerlingen
§ 3b Registervoorportaal
§ 5 Ouders
§ 6 Toetsing basisonderwijs en doorstroom voortgezet onderwijs
Afdeling 2 Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Afdeling 3 Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs
Titel III Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs
Titel IV Bekostiging
Afdeling 2 Aanvang van de bekostiging
Afdeling 3 Voorziening in de huisvesting
- Artikel 91
- Artikel 92
- Artikel 93
- Artikel 94
- Artikel 95
- Artikel 95a
- Artikel 95b
- Artikel 96
- Artikel 96a
- Artikel 96b
- Artikel 96b1
- Artikel 96c
- Artikel 96c1
- Artikel 96c2
- Artikel 96d
- Artikel 96d.1
- Artikel 96d.2
- Artikel 96e
- Artikel 96f
- Artikel 96g
- Artikel 96h
- Artikel 97
- Artikel 98
- Artikel 99
- Artikel 100
- Artikel 101
- Artikel 102
- Artikel 103
- Artikel 104
- Artikel 105
- Artikel 105a
- Artikel 105a1
- Artikel 105a2
- Artikel 105b
- Artikel 105c
- Artikel 105d
- Artikel 105e
- Artikel 105f
- Artikel 105g
- Artikel 105h
- Artikel 105i
- Artikel 105j
- Artikel 105k
- Artikel 106
- Artikel 107
- Artikel 107a
- Artikel 107b
- Artikel 107c
- Artikel 107d
- Artikel 107e
- Artikel 107f
- Artikel 108
- Artikel 108a
- Artikel 108b
- Artikel 109
- Artikel 110
- Artikel 110a
- Artikel 110b
- Artikel 110c
- Artikel 110d
- Artikel 110e
- Artikel 110f
- Artikel 110g
- Artikel 110h
- Artikel 110i
- Artikel 110j
- Artikel 110k
- Artikel 110l
- Artikel 110m
- Artikel 111
- Artikel 111a
- Artikel 112
Afdeling 4 Materiële instandhouding
Afdeling 5 Formatie personeel; bekostiging kosten vervanging van personeel; bekostiging voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening
Afdeling 6 Nascholing personeel
Afdeling 7 Gezamenlijke zorgformatie basisscholen
Afdeling 8 Wijze van bekostiging
Afdeling 9 Beëindiging van de bekostiging
Afdeling 10 Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
Afdeling 11 Onderwijs in allochtone levende talen
Afdeling 12 Overige bepalingen
- Artikel 177
- Artikel 178
- Artikel 179
- Artikel 180
- Artikel 181
- Artikel 182
- Artikel 183
- Artikel 183a
- Artikel 184
- Artikel 184a
§ 2 Tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden
Afdeling 13 Overige bepalingen
Hoofdstuk II Andere vormen van basisonderwijs
Afdeling 1 Scholen voor kinderen trekkende bevolking
Hoofdstuk III Slotbepalingen
Hoofdstuk IV Overgangsbepalingen
Hoofdstuk V Slotbepalingen
Hoofdstuk III
Artikel 187
-
Onze minister is ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 183, bevoegd tot:
instemming met de statuten van de rechtspersoon, alsmede van wijziging van de statuten;
instemming met de bijdrage, bedoeld in artikel 183, tweede lid;
het geven van algemene aanwijzingen aan de rechtspersoon in verband met de minimaal door de rechtspersoon te geven waarborgen, bedoeld in artikel 183, eerste lid, zulks in verband met de goede voortgang van het onderwijs;
het geven van algemene aanwijzingen aan de rechtspersoon met het oog op de afstemming van activiteiten van de rechtspersoon op het algemene beleid inzake preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid;
het geven van algemene aanwijzingen aan de rechtspersoon om de nakoming te verzekeren van verplichtingen die bij deze wet aan de rechtspersoon zijn opgedragen;
het geven van algemene aanwijzingen aan de rechtspersoon om de door Onze minister gewenste inlichtingen te verkrijgen;
het geven van algemene aanwijzingen aan de rechtspersoon in gevallen dat het algemeen belang dit in belangrijke mate vereist;
intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon.
-
De rechtspersoon brengt jaarlijks voor 1 april aan Onze minister over het afgelopen jaar verslag uit over zijn werkzaamheden, voortvloeiend uit artikel 183.
-
Onze minister zendt het verslag, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van zijn advies daarover, voor 1 mei volgend op de datum, bedoeld in het tweede lid, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en omtrent de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon.
-
Krachtens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorschriften kan Onze minister subsidie verlenen aan de rechtspersoon ten behoeve van:
bedragen die, gedurende een vooraf vastgestelde periode en tot een vooraf vastgestelde maximale hoogte, strekken ter vervanging van de vergoeding ten behoeve van de kosten voor vervanging, bedoeld in artikel 126, eerste lid, en de bijdrage, bedoeld in artikel 183, tweede lid,
een bijdrage aan de kosten van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon, en
een bijdrage ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in het kader van de bedrijfsgezondheidszorg.
-
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vijfde lid, kan ten behoeve van een in dat lid bedoelde subsidie een subsidieplafond worden vastgesteld.
-
De rechtspersoon kan ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in het kader van de bedrijfsgezondheidszorg subsidie aan derden verstrekken.
-
Het toezicht op de rechtspersoon is opgedragen aan Onze minister. Met het toezicht zijn belast de bij besluit van Onze minister aangewezen ambtenaren. Een besluit als bedoeld in de tweede volzin wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
-
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 188
-
Artikel 187 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184.
-
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de werkzaamheden van die rechtspersoon.
Artikel 189
Deze wet wordt aangehaald als «Wet op het primair onderwijs».
Artikel 194
-
Instemming van Onze Minister is vereist ten aanzien van de statuten van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 188, alsmede ten aanzien van wijziging van die statuten.
-
Onze Minister is bevoegd tot intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 188.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
nadere taakomschrijving van de rechtspersoon;
de voorwaarden voor instemming door Onze Minister met de statuten van de rechtspersoon en wijziging van deze statuten; en
de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon.
-
Krachtens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorschriften kan Onze Minister subsidie verlenen aan de rechtspersoon ten behoeve van:
bedragen die, gedurende een vooraf vastgestelde periode en tot een vooraf vastgestelde maximale hoogte, strekken ter vervanging van de bijdrage bedoeld in artikel 188, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op de kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling,
een bijdrage aan de kosten van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon, en
een bijdrage ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in het kader van de bedrijfsgezondheidszorg.
-
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan ten behoeve van een in dat lid bedoelde subsidie een subsidieplafond worden vastgesteld.
-
Het bestuur van de rechtspersoon kan ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in het kader van de bedrijfsgezondheidszorg subsidie aan derden verstrekken.
-
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 196
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 10a en artikel 157, en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 10a en artikel 157 in de praktijk.
Artikel 198
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van enige onderwijswetten in verband met het invoeren van de verplichting voor scholen om zorg te dragen voor de veiligheid op school (Stb. 238) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de artikelen 4c en 13, eerste lid, onderdeel n, in de praktijk.
Artikel 199
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 508) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van artikel 182, elfde tot en met veertiende lid, in de praktijk.
Artikel 200
Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de gewijzigde systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe scholen in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie.
Artikel 201
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES en de Wet op het voortgezet onderwijs vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (vereenvoudiging bekostiging po, Stb. 2021, 171) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wijzigingen in hoofdstuk I, titel IV, in de praktijk.