-
De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen en ten behoeve van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders behandelen daarbij de door de gemeente in stand gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op gelijke voet.
-
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een niet door de gemeente in stand gehouden school mede begrepen een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging op het grondgebied van een andere gemeente is gelegen.
Wet op het primair onderwijs Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk I Basisonderwijs
Titel I Algemene bepalingen
Titel II Openbaar en uit de openbare kassen bekostigd bijzonder onderwijs
Afdeling 1 Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs
§ 1 Onderwijs
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 9a
- Artikel 9b
- Artikel 9c
- Artikel 10
- Artikel 10a
- Artikel 10b
- Artikel 11
- Artikel 11a
- Artikel 11b
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 13a
- Artikel 13b
- Artikel 13bis
- Artikel 13c
- Artikel 13c1
- Artikel 13d
- Artikel 13e
- Artikel 13e1
- Artikel 13e2
- Artikel 13e3
- Artikel 13e4
- Artikel 13e5
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 17a
- Artikel 17b
- Artikel 17c
- Artikel 17d
§ 2 Ondersteuningsstructuur
§ 3 Personeel
§ 3a Lerarenregister
§ 3b Registervoorportaal
§ 4 Leerlingen
§ 5 Ouders
§ 6 Toetsing basisonderwijs en doorstroom voortgezet onderwijs
Afdeling 2 Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Afdeling 3 Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs
Titel III Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs
Afdeling 1 Fusietoets
Afdeling 2 Overige bepalingen
Titel IV Bekostiging
Afdeling 2 Aanvang van de bekostiging
Afdeling 3 Voorziening in de huisvesting
- Artikel 91
- Artikel 92
- Artikel 93
- Artikel 94
- Artikel 95
- Artikel 95a
- Artikel 95b
- Artikel 96
- Artikel 96a
- Artikel 96b
- Artikel 96b1
- Artikel 96c
- Artikel 96c1
- Artikel 96c2
- Artikel 96d
- Artikel 96d.1
- Artikel 96d.2
- Artikel 96e
- Artikel 96f
- Artikel 96g
- Artikel 96h
- Artikel 97
- Artikel 98
- Artikel 99
- Artikel 100
- Artikel 101
- Artikel 102
- Artikel 103
- Artikel 104
- Artikel 105
- Artikel 105a
- Artikel 105a1
- Artikel 105a2
- Artikel 105b
- Artikel 105c
- Artikel 105d
- Artikel 105e
- Artikel 105f
- Artikel 105g
- Artikel 105h
- Artikel 105i
- Artikel 105j
- Artikel 105k
- Artikel 106
- Artikel 107
- Artikel 107a
- Artikel 107b
- Artikel 107c
- Artikel 107d
- Artikel 107e
- Artikel 107f
- Artikel 108
- Artikel 108a
- Artikel 108b
- Artikel 109
- Artikel 110
- Artikel 110a
- Artikel 110b
- Artikel 110c
- Artikel 110d
- Artikel 110e
- Artikel 110f
- Artikel 110g
- Artikel 110h
- Artikel 110i
- Artikel 110j
- Artikel 110k
- Artikel 110l
- Artikel 110m
- Artikel 111
- Artikel 111a
- Artikel 112
- Artikel 113
- Artikel 114
Afdeling 4 Grondslag bekostiging scholen
Afdeling 5 Bekostiging samenwerkingsverbanden
Afdeling 6 Lichamelijke oefening en gemeentelijk beleid
Afdeling 7 Overschrijding en betaling
Afdeling 8 Beëindiging bekostiging
Afdeling 9 Onderwijsachterstandenbeleid
Afdeling 10 Verslaglegging en informatieverstrekking
Afdeling 11 Zij-instroom in het beroep
Afdeling 12 Experimenten en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Hoofdstuk II Andere vormen van basisonderwijs
Afdeling 1 Scholen voor kinderen trekkende bevolking
Hoofdstuk IV Overgangsbepalingen
Hoofdstuk V Slotbepalingen
Afdeling 3
Artikel 92
-
Voor de toepassing van deze afdeling worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen:
voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:
- 1°
nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, alsmede eerste aanschaf van onderwijsleerpakketten en meubilair,
- 2°
uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen, en
- 3°
medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs;
- 1°
herstel van constructiefouten aan het gebouw, alsmede herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakketten en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de huisvesting ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.
Artikel 93
-
Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:
scholen,
scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en
scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.
-
Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 94
-
Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient een aanvraag voor opneming van die voorziening op het programma, bedoeld in artikel 95, in bij het college van burgemeester en wethouders.
-
Het college van burgemeester en wethouders kan ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 92 bekostiging verstrekken ter zake van de kosten van bouwvoorbereiding.
-
Het college van burgemeester en wethouders stelt vast, voor welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend en aan welke voorwaarden deze dient te voldoen.
-
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de door de gemeente in stand gehouden scholen.
Artikel 95
-
Het college van burgemeester en wethouders stelt, na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip een programma als bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.
-
Het programma omvat de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 92, die in het jaar na de vaststelling van het programma voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen alsmede voorzieningen die nodig zijn voor door de gemeente in stand gehouden scholen.
-
Het college van burgemeester en wethouders neemt uitsluitend voorzieningen in de huisvesting in het programma op, voor zover:
met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden gemaakt dan wel de voorzieningen in het desbetreffende kalenderjaar kunnen worden gerealiseerd, en
niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, van toepassing is.
-
Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 93, niet toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel c.
-
De beschikking van het college van burgemeester en wethouders kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten.
-
Het college van burgemeester en wethouders kan aan de opneming in het programma voorwaarden verbinden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.
-
Het college van burgemeester en wethouders neemt bij de vaststelling van het programma de criteria, bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel c, in acht.
-
Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treedt het college van burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, deelt het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat het niet kan instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van uitvoering.
-
Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg kan het college van burgemeester en wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan het college van burgemeester en wethouders. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het programma.
Artikel 95a
Artikel 95b
Artikel 96
Het college van burgemeester en wethouders stelt gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 95, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip een overzicht vast van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de desbetreffende voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.
Artikel 96a
Artikel 96b
Artikel 96b1
Artikel 96c
Artikel 96c1
Artikel 96c2
Artikel 96d
Artikel 96d.1
Artikel 96d.2
Artikel 96e
Artikel 96f
Artikel 96g
Artikel 96h
Artikel 97
Het college van burgemeester en wethouders stelt geen programma als bedoeld in artikel 95 en geen overzicht als bedoeld in artikel 96 vast, indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend voor scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.
Artikel 98
-
Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst die niet in het programma, bedoeld in artikel 95, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag om bekostiging van die voorziening in bij het college van burgemeester en wethouders.
-
De beschikking kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten. Het college van burgemeester en wethouders wijst de aanvraag af, indien:
het besluit over de voorziening kan worden genomen bij de vaststelling van het eerstvolgende programma, of
een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is.
Artikel 99
-
Het college van burgemeester en wethouders beslist bij beschikking met ingang van welk tijdstip in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma, bedoeld in artikel 95, de bekostiging van een voorziening die in het programma is opgenomen, daadwerkelijk een aanvang kan nemen, onverminderd het bepaalde in artikel 101.
-
De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet binnen een in de verordening op basis van artikel 102 te bepalen termijn na de beschikking, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot de voorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.
Artikel 100
-
Een voorziening in de huisvesting wordt slechts geweigerd, indien:
de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 92,
de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen, bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel b,
de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 102, eerste lid, onderdelen c en d,
op andere wijze dan wordt gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt,
het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 93, niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, van dat artikel, of
de gewenste voorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d niet noodzakelijk is.
-
Een voorziening in de huisvesting kan tevens worden geweigerd, indien de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.
Artikel 101
Voorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 95, zijn opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip dat daarvoor op grond van artikel 99, eerste lid, is vastgesteld,
is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en
de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma niet ingrijpend zijn gewijzigd.
Artikel 102
-
De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met betrekking tot:
de voorzieningen die ingevolge artikel 92 voor bekostiging in aanmerking kunnen worden gebracht,
de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen,
de urgentiecriteria,
de prognosecriteria,
de termijn bedoeld in artikel 99,
de procedure met betrekking tot verhuur en het medegebruik van ruimten voor het onderwijs,
de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een school of nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van artikel 110, alsmede de procedure in verband met een eventueel op te maken staat van onderhoud,
de gegevens bedoeld in artikel 112, en
de wijze waarop het aantal groepen leerlingen, bedoeld in de artikelen 126 en 127, voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs wordt vastgesteld.
-
De regeling wordt zodanig vastgesteld dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt.
-
De gemeenteraad stelt normen vast aan de hand waarvan de bedragen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting.
-
Het college van burgemeester en wethouders betaalt volgens door het college van burgemeester en wethouders te stellen regels de bedragen aan de hand van de door de gemeenteraad gestelde normen.
-
De gemeenteraad stelt de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met door de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente aan te wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe een procedure vast.
-
Tijdens het in het vijfde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van de gemeentelijke verordening in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met de verordening of de wijziging daarvan.
Artikel 103
-
Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school geeft opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 95 en 98 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen gelden, tenzij het met het college van burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt.
-
Indien de gemeente de voorziening in de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag anders overeenkomen.
-
Indien de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geeft het college van burgemeester en wethouders deze aan het bevoegd gezag in gebruik.
Artikel 104
Tenzij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de huisvesting, met het college van burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt, behoeven de bouwplannen en de desbetreffende begrotingen de instemming van het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 105
De gemeente brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.
Artikel 105a
Artikel 105a1
Artikel 105a2
Artikel 105b
Artikel 105c
Artikel 105d
Artikel 105e
Artikel 105f
Artikel 105g
Artikel 105h
Artikel 105i
Artikel 105j
Artikel 105k
Artikel 106
-
Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw en terrein, alsmede de roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.
-
Vervreemding door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school anders dan op grond van artikel 49 of artikel 56 van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school van zodanige gebouwen en terreinen, is zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders nietig.
-
Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van het recht van opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.
Artikel 107
-
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen. Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school. Tevens is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening of expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel een gedeelte daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag of in het geheel niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.
-
Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door de gemeente in stand gehouden school pleegt het college van burgemeester en wethouders vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van die school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is bestemd.
Artikel 107a
Artikel 107b
Artikel 107c
Artikel 107d
Artikel 107e
Artikel 107f
Artikel 108
-
Voor zover artikel 107 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist.
-
De ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid eindigt:
indien het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 107 zonder dat enige schadeplicht ontstaat, of
indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik door de eigen school.
-
Ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid geschiedt niet indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.
-
Op de ingebruikgeving en verhuur ingevolge het eerste lid is artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
-
Het zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school alsmede elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in een huurovereenkomst met betrekking tot schoolgebouwen, is nietig.
Artikel 108a
Artikel 108b
Artikel 109
Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens de artikelen 108 of 110 door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school komen niet ten laste van de gemeente.
Artikel 110
-
Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.
-
Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de toepassing van het eerste lid desgevraagd besluiten dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken. De aanvraag om het besluit wordt gedaan door het college van burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school. Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde staten de wederpartij.
-
Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de school te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders.
-
Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het tweede lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit onderscheidenlijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als bedoeld in artikel E 33 van de Overgangswet WBO, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom.
-
Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn.
-
Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de toepassing van het vijfde lid desgevraagd besluiten dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om het besluit wordt gedaan door het college van burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school. Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde staten de wederpartij.
-
Zodra de in het vijfde lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het zesde lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het zesde lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren.
-
De toestemming, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste 3 jaren. Op aanvraag van het bevoegd gezag kan dit tijdvak telkens worden verlengd met een termijn van ten hoogste 3 jaren.
-
Op de verhuur, bedoeld in het zevende lid, is artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
Artikel 110a
Artikel 110b
Artikel 110c
Artikel 110d
Artikel 110e
Artikel 110f
Artikel 110g
Artikel 110h
Artikel 110i
Artikel 110j
Artikel 110k
Artikel 110l
Artikel 110m
Artikel 111
In afwijking van deze afdeling kan de gemeenteraad besluiten dat jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor zover die op het grondgebied van die gemeente in stand wordt gehouden. De gemeenteraad neemt het besluit in overeenstemming met het bevoegd gezag.
Artikel 111a
Artikel 112
Het bevoegd gezag van een niet door de desbetreffende gemeente in stand gehouden school is gehouden aan de gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders alle inlichtingen te verschaffen die de gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders voor een adequate uitvoering van de bepalingen in deze afdeling noodzakelijk achten.
Artikel 113
-
Het bevoegd gezag dat, dan wel de gemeente die eigenaar is van een schoolgebouw, zorgt voor het deel van de exploitatie waarop de bekostiging, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdelen e, f, j en k, betrekking heeft.
-
Het bevoegd gezag van een bijzondere school en het bevoegd gezag van een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden en dat eigenaar is van een schoolgebouw, kan met het college van burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente het deel van de exploitatie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk verzorgt.
-
Het bevoegd gezag dat eigenaar is van een schoolgebouw kan met een bevoegd gezag dat gebruikmaakt van dat schoolgebouw overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd gezag een deel van de exploitatie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk verzorgt.
-
Indien de gemeente eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd gezag van een bijzondere school of het bevoegd gezag van een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden, met de gemeente overeenkomen dat het bevoegd gezag het deel van de exploitatie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk verzorgt.
-
Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de exploitatie waarop de bekostiging, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdelen g en h, betrekking heeft.
Artikel 114
De gemeente bekostigt aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is onderworpen aan een of meer der in artikel 220 van de Gemeentewet bedoelde belastingen ter zake van onroerende zaken het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen met betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen.