Wet op het primair onderwijs Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk I Basisonderwijs
Titel I Algemene bepalingen
Titel II Openbaar en uit de openbare kassen bekostigd bijzonder onderwijs
Afdeling 1 Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs
§ 1 Onderwijs
§ 2 Ondersteuningsstructuur
§ 3 Personeel
§ 3a Lerarenregister
§ 3b Registervoorportaal
§ 4 Leerlingen
§ 5 Ouders
§ 6 Toetsing basisonderwijs en doorstroom voortgezet onderwijs
Afdeling 2 Overige regelen voor het openbaar onderwijs
Afdeling 3 Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs
Titel III Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs
Titel IV Bekostiging
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Aanvang van de bekostiging
Afdeling 3 Voorziening in de huisvesting
Afdeling 4 Grondslag bekostiging scholen
Afdeling 5 Bekostiging samenwerkingsverbanden
Afdeling 6 Lichamelijke oefening en gemeentelijk beleid
Afdeling 7 Overschrijding en betaling
Afdeling 8 Beëindiging bekostiging
Afdeling 9 Onderwijsachterstandenbeleid
Afdeling 10 Verslaglegging en informatieverstrekking
Afdeling 11 Zij-instroom in het beroep
Afdeling 12 Experimenten en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Afdeling 13 Overige bepalingen
Hoofdstuk II Andere vormen van basisonderwijs
Afdeling 1 Scholen voor kinderen trekkende bevolking
Afdeling 2 Nieuwkomersonderwijs
§ 1 Begripsbepalingen
§ 2 Garantiefunctie gemeenten nieuwkomersonderwijs
§ 3 Besluit minister en taak gemeente bij onvoldoende onderwijsplaatsen
§ 4 Tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen
§ 5 Horizonbepaling tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen
Hoofdstuk III Evaluatie
Hoofdstuk IV Overgangsbepalingen
Hoofdstuk V Slotbepalingen

Afdeling 8

Beëindiging bekostiging

Artikel 137

In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: basisschool.

Artikel 138

Waar in deze paragraaf sprake is van een aantal leerlingen, is dat het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar, verhoogd met 3% daarvan, waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel getal.

Artikel 139

  1. De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 140 en 141, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 8 schooljaren van de bekostiging van een school het aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel 76, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. In afwijking van de tweede volzin eindigt de bekostiging van een in die volzin bedoelde bijzondere school en wordt een openbare school opgeheven met ingang van het vijfde schooljaar indien het aantal leerlingen van een school als bedoeld in de tweede volzin in het vierde schooljaar van de bekostiging niet ten minste de helft van de stichtingsnorm bedraagt. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.

  2. De opheffingsnormen, berekend op grond van artikel 140, zijn voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar bij ministeriële regeling aangepast op basis van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek betreffende 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt, tezamen met bij die regeling op grond van artikel 141 vastgestelde normen voor delen van gemeenten, voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de Staatscourant.

  3. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 8 schooljaren van de bekostiging van de school het eerste lid, tweede volzin, toepassing diende te vinden, geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op die 8 schooljaren.

  4. Indien het aantal leerlingen van een bijzondere school of een openbare school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, in het derde schooljaar van de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan 50 en de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, binnen een straal van 5 km de laatste school van de richting is onderscheidenlijk de laatste openbare school is, wordt de bekostiging van de bijzondere school niet beëindigd of de openbare school niet opgeheven op grond van dit artikel, mits het bevoegd gezag tijdig de in artikel 149, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan.

  5. Indien binnen 10 km van een school waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat, wordt de eerstgenoemde school niet opgeheven op grond van dit artikel.

  6. Het vierde lid is niet van toepassing, indien:

    1. de school meer dan een richting heeft; of

    2. indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop de bekostiging op grond van het derde lid zou worden beëindigd, een melding is gedaan als bedoeld in artikel 164, derde lid, tenzij die melding voortvloeide uit een omzetting van bijzonder onderwijs naar openbaar onderwijs.

Artikel 140

Voor iedere gemeente wordt, op basis van de leerlingdichtheid in die gemeente, een opheffingsnorm vastgesteld aan de hand van de formule:

Opheffingsnorm = 0,6 x (leerlingdichtheid : (0,15 + 0,0027 x leerlingdichtheid))

De uitkomst van de berekening wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en waarbij de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De opheffingsnorm bedraagt minimaal 23 en maximaal 200. De leerlingdichtheid is de uitkomst van het aantal inwoners van 4 tot en met 11 jaar in die gemeente gedeeld door het aantal km2 grondoppervlakte van die gemeente. Indien het aantal km2 van de gemeente minder bedraagt dan 10 km2, wordt voor de berekening van de leerlingdichtheid uitgegaan van 10 km2. De leerlingdichtheid bedraagt maximaal 500.

Artikel 141

  1. Het college van burgemeester en wethouders kan, indien elk bevoegd gezag dat een of meer scholen in de gemeente in stand houdt schriftelijk heeft verklaard daarmee in te stemmen, besluiten dat het grondgebied van de gemeente in twee bij dat besluit vastgestelde delen wordt gesplitst in verband met aanzienlijke verschillen in bebouwingskarakter en bevolkingsdichtheid tussen die delen. De grenzen van de delen van de gemeente die zijn ontstaan als gevolg van toepassing van de eerste volzin, vallen samen met grenzen van gebieden in die gemeente die zijn opgenomen in de jaarlijkse publikatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek «De landelijke wijk- en buurtindeling». Het besluit is gedurende 20 jaar van kracht behoudens het gestelde in het vijfde lid.

  2. Het college van burgemeester en wethouders brengt Onze Minister binnen vier weken na het nemen van het besluit, bedoeld in het eerste lid, op de hoogte van dat besluit, waarbij tevens mededeling wordt gedaan van de begrenzing van de beide gebiedsdelen, de oppervlakte daarvan en het aantal 4- tot en met 11-jarigen dat daarbinnen woonachtig is. Na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de eerste volzin wordt bij ministeriële regeling voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vastgesteld. De opheffingsnorm voor elk deel wordt vastgesteld op de wijze als aangegeven in artikel 140, met dien verstande dat bij het bepalen van de leerlingdichtheid wordt uitgegaan van het aantal km2 grondoppervlakte van het desbetreffende deel en dat de vijfde volzin van artikel 140 niet van toepassing is. De ministeriële regeling wordt overeenkomstig artikel 139, tweede lid, bekendgemaakt en is voor de eerste maal van toepassing met ingang van 1 augustus, volgend op die bekendmaking.

  3. Indien niet elk bevoegd gezag een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid eerste volzin wenst te verstrekken, kan het college van burgemeester en wethouders Onze Minister verzoeken een besluit tot splitsing als bedoeld in het eerste lid te nemen. Met betrekking tot de aanvraag is het tweede lid eerste volzin van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders eveneens de ontvangen instemmende verklaringen overleg, alsmede een opgave van de scholen waarvan het bevoegd gezag geen instemmende verklaring wenste te verstrekken. Indien Onze Minister tot splitsing van de gemeente besluit zijn op dit besluit de tweede tot en met vierde volzin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

  4. Van een besluit van het college van burgemeester en wethouders inhoudende een weigering om tot splitsing van de gemeente, als bedoeld in het eerste lid, over te gaan en van een besluit van het college van burgemeester en wethouders, inhoudende een weigering om een aanvraag tot een zodanige splitsing bij Onze Minister in te dienen, kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die daardoor rechtstreeks in zijn belang is getroffen, bij de Kroon in beroep komen. Met een weigering om tot splitsing van de gemeente over te gaan, wordt gelijk gesteld het niet nemen van een besluit met betrekking tot splitsing binnen 6 maanden na verzending van de laatste instemmende verklaring van de bevoegde gezagsorganen, bedoeld in het eerste lid. Met een weigering om een aanvraag tot splitsing bij Onze Minister in te dienen, wordt gelijkgesteld het niet nemen van een besluit binnen 6 maanden na verzending van een aanvraag daartoe aan het college van burgemeester en wethouders door een bevoegd gezag dat een of meer scholen in de gemeente in stand houdt. Het beroep wordt ingesteld binnen 30 dagen nadat het besluit openbaar is gemaakt of ter kennis is gebracht van degene jegens wie het besluit is genomen dan wel binnen 30 dagen na het verstrijken van de termijn van 6 maanden bedoeld in de tweede of derde volzin.

  5. Op grond van bijzondere omstandigheden die voortvloeien uit de ruimtelijke ordening en die op het moment dat het besluit tot splitsing als bedoeld in het eerste of derde lid werd genomen niet voorzienbaar waren, kan de gemeenteraad binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van 20 jaar een besluit nemen tot wijziging of beëindiging van de splitsing. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Een besluit van de gemeenteraad tot wijziging of beëindiging van de splitsing behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 142

  1. In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in artikel 3 van de Wet algemene regels herindeling, stelt Onze Minister op de wijze als aangegeven in artikelen 140 en 141, tweede lid, de nieuwe opheffingsnormen voor de betrokken gemeenten onderscheidenlijk delen van gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op grond van artikel 139, tweede lid, en artikel 141 bepaalde opheffingsnormen.

  2. Indien het college van burgemeester en wethouders binnen 3 maanden na de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling, een besluit neemt tot splitsing van de gemeente, stelt Onze Minister voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast. Artikel 141, eerste lid eerste, tweede en vierde volzin en tweede lid eerste en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Artikel 141, derde lid, eerste, derde en vierde volzin, en vierde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het vierde lid voor «6 maanden» wordt gelezen: 3 maanden.

  4. De ingevolge het eerste en tweede lid vastgestelde opheffingsnormen treden in de plaats van de op grond van artikel 139, tweede lid, en artikel 141 bepaalde opheffingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de opheffingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.

Artikel 143

  1. Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in uitsluitend 1 gemeente of, ingeval voor die gemeente op grond van artikel 141 opheffingsnormen zijn vastgesteld, in uitsluitend 1 deel van die gemeente, wordt, in afwijking van artikel 139, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 139 indien de school ten minste 23 leerlingen telt, de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel van de gemeente geldende opheffingsnorm, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 149, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Indien het bevoegd gezag dat bij die mededeling aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 8 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.

  2. Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in meer dan 1 gemeente, of in meer dan 1 deel van een gemeente waarvoor op grond van artikel 141 opheffingsnormen zijn vastgesteld, wordt, in afwijking van artikel 139, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 139 indien de school ten minste 23 leerlingen telt en de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x het gewogen gemiddelde van de voor elk van die gemeenten en delen van gemeenten geldende opheffingsnormen, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 149, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Het gewogen gemiddelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt vastgesteld door het aantal scholen van het bevoegd gezag in elke gemeente of elk deel van een gemeente te vermenigvuldigen met de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel geldende opheffingsnorm en de som van de verkregen uitkomsten te delen door het totale aantal scholen van het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dat bij de mededeling, bedoeld in de eerste volzin, aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte en het gewogen gemiddelde niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 8 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De derde volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien een bevoegd gezag met ten minste 1 ander bevoegd gezag een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, waarbij voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    1. alle scholen van elk bevoegd gezag dat aan de overeenkomst deelneemt, bevinden zich in een gebied van aan elkaar grenzende gemeenten, dan wel delen van gemeenten als bedoeld in artikel 141;

    2. de overeenkomst is aangegaan voor een termijn van ten minste 10 jaren en

    3. in de overeenkomst is in elk geval opgenomen de verplichting voor elk bevoegd gezag om geen personeel te benoemen met voorbijgaan van personeel van een der scholen waarvan het bevoegd gezag aan de overeenkomst deelneemt en dat

      1. werkzaam is met gebruikmaking van bekostiging, die is toegekend op grond van artikel 120, eerste lid, wegens samenvoeging van scholen, dan wel

      2. voor zover zich geen geval voordoet als bedoeld onder 1° in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag.

  4. Indien de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, voor afloop van de termijn bedoeld in het derde lid, onder b, door een bevoegd gezag wordt beëindigd, wordt de bekostiging van een bijzondere school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst in afwijking van artikel 139, eerste tot en met derde lid, werd bekostigd, beëindigd, dan wel een openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst in afwijking van artikel 139, eerste tot en met derde lid, in stand werd gehouden, opgeheven overeenkomstig artikel 139 met dien verstande dat de bekostiging niet wordt beëindigd onderscheidenlijk de school niet wordt opgeheven voor 1 augustus volgend op de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst. Bij een beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst voor afloop van de termijn, bedoeld in het derde lid, onder b, wordt op de bekostiging van het Rijk voor de school of scholen van elk bevoegd gezag dat aan de samenwerkingsovereenkomst deelnam een bedrag ingehouden, waarvan de hoogte door middel van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regeling wordt bepaald.

  5. Een bevoegd gezag kan slechts deelnemen aan 1 samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het derde lid. Bij deelname aan meer dan 1 samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het derde lid, is voor de toepassing van dit artikel uitsluitend de eerst gesloten samenwerkingsovereenkomst van belang.

Artikel 144

  1. Het bevoegd gezag van een school die op grond van de gemiddelde schoolgrootte, bedoeld in artikel 143, eerste, tweede of derde lid, in stand wordt gehouden dan wel wordt bekostigd, en die vervolgens op de teldatum 1 oktober minder dan 23 leerlingen telt, kan Onze Minister verzoeken in afwijking van artikel 139, eerste, tweede en derde lid, die bijzondere school te blijven bekostigen of die openbare school in stand te houden voor een door Onze Minister te bepalen termijn. Een besluit tot instandhouding wordt in elk geval niet genomen indien het bevoegd gezag tekortschiet in haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 10, of geen perspectief bestaat op structurele toename van het aantal leerlingen van de school tot het aantal van ten minste 23 op 1 oktober voorafgaand aan de datum waarop de door Onze Minister te bepalen termijn eindigt. Het al dan niet aanwezig zijn van basisscholen in de omgeving van de school kan Onze Minister eveneens betrekken bij zijn besluit.

  2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid moet voor 1 februari voorafgaand aan de datum van de beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing schriftelijk worden ingediend bij Onze Minister. De aanvraag gaat vergezeld van gegevens ter onderbouwing van het perspectief, bedoeld in het eerste lid, een beredeneerde leerlingprognose en gegevens over de ligging van de school ten opzichte van de dichtstbijzijnde basisscholen.

  3. Onze Minister besluit voor 1 mei, volgend op de aanvraag, dat:

    1. met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school wordt beëindigd dan wel de openbare school wordt opgeheven, of

    2. met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school wordt voortgezet of de openbare school in stand wordt gehouden.

  4. Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op aanvraag van het bevoegd gezag eenmalig verlengen met maximaal de duur van de termijn die op grond van het eerste lid ten aanzien van de school door hem was bepaald. De tweede en derde volzin van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  5. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing voor openbare scholen die als gevolg van een besluit van Onze Minister op grond van artikel II van de Wet van 28 oktober 2010 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs in verband met onder meer een discretionaire bevoegdheid van de minister ten aanzien van kwalitatief goede scholen met minder dan 23 leerlingen met perspectief op hoger aantal leerlingen (Stb. 2010, 755) in stand zijn gehouden of voor bijzondere scholen waarvan als gevolg van een besluit van Onze Minister op grond van artikel II van de hiervoor genoemde wet de bekostiging is voortgezet.

Artikel 145

Indien de instandhouding van een openbare school of de bekostiging van een bijzondere school niet mogelijk is op grond van de artikelen 139 tot en met 144, kan Onze Minister in bijzondere gevallen op aanvraag van het bevoegd gezag voor een door hem te bepalen tijd toestaan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd.

Artikel 146

  1. De bekostiging van een bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of een openbare nevenvestiging wordt opgeheven indien de nevenvestiging gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de volgende voorwaarden:

    1. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 2 km bevindt zich geen school,

    2. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 50 en binnen een straal van 3 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven,

    3. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 5 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven,

    4. binnen 10 km van de openbare nevenvestiging over de weg gemeten, is geen andere school aanwezig waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, of

    5. bij het gelijkstellen van de nevenvestiging met een zelfstandige school zou deze met toepassing van artikel 143 en onder vervanging van het getal 290 in dat artikel door 260, voor bekostiging in aanmerking komen.

  2. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere nevenvestiging of de opheffing van een openbare nevenvestiging geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid.

  3. Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat op de teldatum 1 oktober wordt voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid en het de nevenvestiging in het op die datum volgende schooljaar wil handhaven, deelt het dit voor 1 februari voorafgaand aan dat schooljaar onder de gemotiveerde vermelding van de voorwaarde die het betreft schriftelijk mede aan Onze Minister. Indien deze mededeling niet tijdig wordt gedaan, wordt de nevenvestiging geacht gedurende het desbetreffende schooljaar niet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid te voldoen, tenzij het eerste lid, onder d, van toepassing is.

  4. Indien de nevenvestiging meer dan een richting heeft of indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop de bekostiging zou worden beëindigd, een melding is gedaan als bedoeld in artikel 164, derde lid, wordt die nevenvestiging geacht gedurende het desbetreffende schooljaar niet aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onderdeel b of c te voldoen.

  5. Onze Minister maakt voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school bekend dat

    1. de nevenvestiging naar zijn oordeel gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid zodat de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of de openbare nevenvestiging dient te worden opgeheven,

    2. de nevenvestiging naar zijn oordeel niet voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid maar, gelet op het eerste lid, de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare nevenvestiging in stand kan worden gehouden, of

    3. de nevenvestiging naar zijn oordeel voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid, zodat de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare nevenvestiging in stand kan, dan wel dient te worden gehouden.

Artikel 147

  1. De bekostiging van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een bijzondere school wordt beëindigd of een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen van de afdeling gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober telkens minder dan 30 bedraagt. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de afdeling het aantal leerlingen op de afdeling, minder dan 80 bedraagt.

  2. De beëindiging van de bekostiging van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een bijzondere school of de opheffing van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een bijzondere school of de opheffing van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de afdeling, het eerste lid, tweede volzin van toepassing was, geschiedt met ingang van 1 augustus volgende op die 5 schooljaren.

  3. Artikel 149, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 148

  1. De gemeenteraad kan besluiten tot vermindering van het aantal door de gemeente in stand gehouden openbare scholen en nevenvestigingen.

  2. De openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 47, of de stichting, bedoeld in artikel 17 of 48, kan besluiten tot opheffing van een door die openbare rechtspersoon of stichting in stand gehouden openbare school of nevenvestiging. Een besluit tot opheffing wordt uiterlijk op 1 augustus van het schooljaar voorafgaand aan de beoogde datum van opheffing medegedeeld aan de gemeenteraad. Indien de gemeenteraad voor 1 februari daaropvolgend besluit dat hij de school in stand wenst te houden, wordt deze niet opgeheven, maar wordt de instandhouding daarvan overgedragen aan de gemeente.

  3. In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, eerste volzin, vindt opheffing van een openbare school of nevenvestiging niet plaats in de gevallen, bedoeld in artikel 139, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 146, eerste lid, onder d.

  4. Indien een besluit tot opheffing, bedoeld in het tweede lid, in afwijking van de tweede volzin van dat lid na 1 augustus, maar uiterlijk op 1 januari van het schooljaar voorafgaand aan de beoogde datum van opheffing wordt medegedeeld aan de gemeenteraad, dan wordt de school of nevenvestiging slechts opgeheven op grond van dat besluit indien:

    1. de op te heffen openbare school of nevenvestiging binnen 10 km over de weg gemeten niet de enige school is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, en

    2. de gemeenteraad uiterlijk op 1 februari volgend op die mededeling besluit om in te stemmen met opheffing van de school of nevenvestiging.

  5. Indien het besluit, bedoeld in het tweede lid, na 1 januari van het schooljaar voorafgaand aan de beoogde datum van opheffing wordt medegedeeld aan de gemeenteraad, dan wordt de school of nevenvestiging niet opgeheven op grond van dat besluit.

Artikel 149

  1. Indien naar het oordeel van Onze Minister de bekostiging van een bijzondere school dient te worden beëindigd of een openbare school dient te worden opgeheven, maakt Onze Minister dit voor 1 januari voorafgaand aan de datum van beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk opheffing van de school bekend aan het bevoegd gezag.

  2. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 139, vierde of vijfde lid, dan wel artikel 143, deelt het bevoegd gezag dit voor 1 februari voorafgaand aan de datum voor de beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing schriftelijk mede aan Onze Minister. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens bij deze mededeling worden overgelegd.

  3. Voor zover Onze Minister niet reeds heeft bekendgemaakt dat hij de mededeling, bedoeld in het tweede lid, buiten behandeling laat wegens het niet verstrekken van de voorgeschreven gegevens, maakt hij voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het tweede lid, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school bekend dat:

    1. naar zijn oordeel geen sprake is van een van de uitzonderingssituaties, bedoeld in het tweede lid, en dat met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school wordt beëindigd dan wel de openbare school dient te worden opgeheven, of

    2. met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school wordt voortgezet of de openbare school in stand dient te worden gehouden.

  4. Indien Onze Minister niet voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het tweede lid, een bekendmaking als bedoeld in het derde lid heeft gedaan, wordt met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school voortgezet of dient de openbare school met ingang van laatstgenoemde datum in stand te worden gehouden.

Artikel 150

Artikel 148, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op speciale scholen voor basisonderwijs en nevenvestigingen daarvan.

Artikel 151

  1. Indien de bekostiging van een bijzondere school of nevenvestiging wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de school of nevenvestiging beslist, dan wel een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, of artikel 89, tweede lid, toepassing heeft gevonden, wordt opgeheven, eindigt het recht op het gebouw en terrein en worden alle roerende zaken, behalve die welke het bevoegd gezag uit eigen middelen heeft aangeschaft, aan de gemeente op wier grondgebied het gebouw en terrein zijn gelegen, overgedragen.

  2. Artikel 110, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in de verklaring ingevolge het eerste lid en het besluit ingevolge het tweede lid als datum waarop het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein voor de school te gebruiken, zal worden genoemd de datum waarop de bekostiging is geëindigd dan wel zal eindigen.

Artikel 152

  1. Indien de bekostiging van de laatste bijzondere school van een bevoegd gezag wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de laatste school beslist, dan wel de laatste openbare school wordt opgeheven, stort het bevoegd gezag de niet bestede bekostigingsbedragen terug in de desbetreffende overheidskas.

  2. Het exploitatietekort blijft in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, voor rekening van het bevoegd gezag.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop het exploitatieoverschot, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend.

Artikel 153

  1. Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.

  2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    1. financieel wanbeleid;

    2. het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met artikel 10, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;

    3. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;

    4. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;

    5. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder;

    6. het handelen in strijd met de zorgplicht voor de veiligheid, bedoeld in artikel 4c, dat leidt of dreigt te leiden tot het toebrengen van ernstige sociale, psychische of fysieke schade aan een of meer leerlingen;

    7. het structureel of flagrant handelen in strijd met de burgerschapsopdracht, bedoeld in artikel 8, derde lid en lid 3a, dat leidt of dreigt te leiden tot ernstige aantasting van een of meer basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

  3. Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

  4. De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

  5. Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.

  6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven aanwijzing aan een samenwerkingsverband.

Artikel 153a

  1. Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:

    1. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;

    2. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 153, tweede lid, volgt; en

    3. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.

  2. Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

  3. De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

  4. De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  5. Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft, heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

  6. Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.

  7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven spoedaanwijzing aan een samenwerkingsverband.

Artikel 154

  1. Indien naar het oordeel van Onze Minister het samenwerkingsverband zijn taak ernstig verwaarloost, kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.

  2. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het samenwerkingsverband in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de bevoegde gezagsorganen, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, niet of niet tijdig voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in genoemd artikel.

Artikel 155

  1. Indien het bevoegd gezag van een school dan wel het samenwerkingsverband in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, waaronder mede wordt verstaan het niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel 153 of een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 153a, kan Onze Minister de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school dan wel het samenwerkingsverband of het personeel van een samenwerkingsverband in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  3. Onze Minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.

Artikel 156

  1. Indien het bevoegd gezag tekortschiet in haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 10, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

  2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.

  3. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

  4. Het eerste tot en met het derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de kwaliteit van de uitoefening van de taken van het samenwerkingsverband en de kwaliteit van het bestuur van het samenwerkingsverband.

Artikel 157

  1. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, kan Onze Minister besluiten dat met ingang van een in dat besluit bepaalde datum een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd.

  2. Alvorens Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid:

    1. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en heeft de inspectie Onze Minister meegedeeld dat het bevoegd gezag naar aanleiding van dit onderzoek niet bereid is afspraken te maken over verbeteringen dan wel dat uit het onderzoek naar de verbeteringen, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht blijkt dat sprake is van onvoldoende verbeteringen;

    2. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en

    3. stelt Onze Minister het bevoegd gezag vervolgens vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen opheffing of de voorgenomen beëindiging van de bekostiging naar voren te brengen.

  3. Op een basisschool die minder dan 2 jaar wordt bekostigd en waarvan de kwaliteit van het onderwijs in deze periode zeer zwak is als bedoeld in artikel 10a, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag:

    1. tekortschiet in de naleving van drie of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, en dientengevolge

    2. tekortschiet in het zorgdragen voor de veiligheid op de school als bedoeld in artikel 4c, of in het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel in het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid.

  4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien uit een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht blijkt dat een bevoegd gezag niet of niet volledig heeft voldaan aan een aanwijzing wegens wanbeheer als bedoeld in artikel 153, tweede lid, onderdeel f of g, en dat het wanbeheer niet is beëindigd.

← terug naar Wet op het primair onderwijs