Wet basisregistratie personen

Inhoud

Artikel 3.22

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 11-11-2025.
Deze versie geldt vanaf 11-11-2025.
  1. Het college van burgemeester en wethouders deelt binnen vier weken aan de betrokkene in verband met de uitoefening van het recht van inzage, bedoeld in artikel 15 van de verordening, op diens verzoek mede of gegevens die de betrokkene betreffen gedurende de periode van twintig jaren voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt uit de basisregistratie aan een overheidsorgaan of derde.

  2. Het college voldoet niet aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, voor zover:

    1. van de verstrekking geen aantekening is gehouden krachtens artikel 3.11, tweede lid; of

    2. dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan nader worden geregeld in welke gevallen toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onderdeel b.

  4. Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

11-11-2025 Huidig 12-02-2025 Historisch 01-10-2023 Historisch 15-05-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 22-10-2022 Historisch 01-03-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-03-2022.

Tekst van deze versie

  1. Het college van burgemeester en wethouders deelt binnen vier weken aan de betrokkene in verband met de uitoefening van het recht van inzage, bedoeld in artikel 15 van de verordening, op diens verzoek mede of gegevens die de betrokkene betreffen gedurende de periode van twintig jaren voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt uit de basisregistratie aan een overheidsorgaan of derde.

  2. Het college voldoet niet aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, voor zover:

    1. van de verstrekking geen aantekening is gehouden krachtens artikel 3.11, tweede lid; of

    2. dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan nader worden geregeld in welke gevallen toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onderdeel b.

  4. Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wet basisregistratie personen