Wet basisregistratie personen

Inhoud

Artikel 2.81

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-07-2021.
  1. Onze Minister stelt binnen vier weken na een inschrijving als bedoeld in artikel 2.66 aan de ingeschrevene in begrijpelijke vorm een volledig overzicht ter beschikking van zijn persoonslijst.

  2. Onze Minister vermeldt op schriftelijk verzoek van de betrokkene op zijn persoonslijst kosteloos een aantekening omtrent beperking van de verstrekking van gegevens aan derden. Onze Minister geeft binnen vier weken gevolg aan het verzoek en doet daarvan terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de geldende regels ter zake.

  3. De artikelen 2.54, tweede en derde lid, 2.55, 2.56a, vierde lid, 2.57, 2.58, 2.58a, 2.60 en 2.61 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van niet-ingezetenen met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van het college van burgemeester en wethouders en dat voor de toepassing van artikel 2.60, onderdeel a, voor «aangifte» wordt gelezen: verzoek.

  4. Een verzoek als bedoeld in artikel 2.55 kan ook worden gericht aan het college van burgemeester en wethouders van enige gemeente in Nederland.

11-11-2025 Huidig 12-02-2025 Historisch 01-10-2023 Historisch 15-05-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 22-10-2022 Historisch 01-03-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch
Voor dit artikel is deze tekst gewijzigd in 01-01-2022.

Tekst van deze versie

  1. Onze Minister stelt binnen vier weken na een inschrijving als bedoeld in artikel 2.66 aan de ingeschrevene in begrijpelijke vorm een volledig overzicht ter beschikking van zijn persoonslijst.

  2. Onze Minister vermeldt op schriftelijk verzoek van de betrokkene op zijn persoonslijst kosteloos een aantekening omtrent beperking van de verstrekking van gegevens aan derden. Onze Minister geeft binnen vier weken gevolg aan het verzoek en doet daarvan terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de geldende regels ter zake.

  3. De artikelen 2.54, tweede en derde lid, 2.55, 2.56a, vierde lid, 2.57, 2.58, 2.58a, 2.60 en 2.61 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van niet-ingezetenen met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van het college van burgemeester en wethouders en dat voor de toepassing van artikel 2.60, onderdeel a, voor «aangifte» wordt gelezen: verzoek.

  4. Een verzoek als bedoeld in artikel 2.55 kan ook worden gericht aan het college van burgemeester en wethouders van enige gemeente in Nederland.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wet basisregistratie personen