Algemene plaatselijke verordening Zeist 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Bijzondere bepalingen over slijtersbedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk en carbidschieten
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Toezicht op smart- en headshops
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Gebiedsontzeggingen, sluiting voor publiek openstaande gebouwen, tegengaan woonoverlast
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het Natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Artikel 5:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens1990 (Rvv 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

  2. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990(Rvv 1990).

Artikel 5:2

Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

  1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  2. Tot de voertuigen bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    2. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid genoemde persoon.

  3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. meer dan 10 procent van de beschikbare totale openbare parkeercapaciteit per weggedeelte van100 meter te gebruiken voor het parkeren van voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd; dan wel

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en / of tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6

Kampeermiddelen e.a.

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of op andere wijze voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    1. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het collegeaangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    2. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a., gestelde verbod.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:7

Parkeren van reclamevoertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:8

Parkeren van grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van08.00 tot 18.00 uur.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

  6. In aanvulling op artikel 1:3, eerste lid, van deze verordening is op de aanvraag om een ontheffing paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9

Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun op andere wijze hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10

Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

[Vervallen]

Artikel 5:11

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  2. Dit verbod is niet van toepassing:

    1. op de weg;

    2. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    3. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:11a

Stallen deelvoertuigen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig voertuigen aan te bieden in de openbare ruimte ter gebruik aan derden aan te bieden tegen betaling.

  2. De duur van de vergunning wordt vastgelegd in nadere regels deelmobiliteit.

  3. Het college wijst categorieën voertuigen aan waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid verleend kan worden

  4. Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan de vergunning:

    1. ter voorkoming van overlast;

    2. in het belang van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

    3. in het belang van de veiligheid van het publiek;

    4. in het belang van de doorstroming van het verkeer;

    5. ter voorkoming van onevenredig ruimtegebruik.

  5. Het college kan ter bescherming van de belangen in het vierde lid en zesde lid nadere regels vaststellen voor het verlenen van een vergunning of het geven van een ontheffing.

  6. Onverminderd artikel 1:8 kan het college de in het eerste lid bedoelde vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken als het ter gebruik aanbieden van de voertuigen:

    1. gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen of de verkeersveiligheid;

    2. hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat;

    3. een nadelige invloed heeft op het milieu;

    4. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of

    5. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.

  7. Het college kan parkeervoorzieningen, wegen of weggedeelten aanwijzen waar uitsluitend voertuigen, als bedoeld in het eerste lid mogen worden geplaatst en ter gebruik mogen worden aangeboden of waar deze voertuigen, niet mogen worden geplaatst en niet ter gebruik aan derden mogen worden aangeboden.

  8. Het college kan ontheffing verlenen van de vergunningsplicht ten behoeve van het experimenteren met categorieën van voertuigen als bedoeld in het eerste lid.

  9. Het college kan ontheffing verlenen van de vergunningsplicht voor een organisatie die een vergunning heeft om in de gemeente Utrecht deelmobiliteit, niet zijnde deelauto's, aan te bieden op de openbare weg.

Artikel 5:12

Overlast van fiets of bromfiets

  1. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  2. Het is verboden op door het college in het belang van het beheer van de openbare ruimte aangewezenplaatsen een fiets of bromfiets langer dan een door het college te bepalen periode onafgebroken te laten staan.

Artikel 5:13

Inzameling van geld of goederen

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

  2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

  4. Het college kan voor de inzameling van goederen een lotingssysteem hanteren. Hiervoor kan het college nadere regels vaststellen, die ook betrekking kunnen hebben op de beslistermijn.

Artikel 5:14

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel aanbieden van diensten op een openbare en inde open lucht gelegen plaats of aan huis;

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet.

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten opeen standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  2. Het is verboden te venten op zondag van 00.00 tot 13.00 uur en tussen 19.00 uur en 24.00 uur en op maandag t/m zaterdag tussen 20.00 uur en 09.00 uur.

  3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien doorartikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:16

Vrijheid van meningsuiting

  1. Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

  2. Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in testellen:

    1. op door het college aangewezen openbare plaatsen, of

    2. voor bepaalde dagen en uren.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5:17

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet.

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het college kan locaties in de gemeente Zeist aanwijzen waar standplaats mag worden ingenomen. Per locatie en in totaal kan een maximumaantal standplaatsen worden vastgesteld. Tevens kan per locatie worden bepaald welke omvang de standplaats maximaal mag hebben.

  3. Het college kan nadere regels vaststellen over:

    1. de toewijzing van standplaatsen, waarbij een wachtlijst kan worden gehanteerd;

    2. het gebruik maken van de standplaatsvergunning;

    3. het ten behoeve van het tijdelijk innemen van een standplaats afwijken van het bepaalde ingevolge lid 2.

  4. Het college kan de vergunning weigeren als dit strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan en geen vergunning is verleend voor een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld onder artikel 5.1, lid 1, onder a van de Omgevingswet.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de vergunning worden geweigerd:

    1. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    2. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaarkomt.

Artikel 5:19

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het collegestandplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20

Afbakeningsbepalingen

  1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, vijfde lid, onder a., geldt niet voor bouwwerken.

Artikel 5:25

Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

[Vervallen]

Artikel 5:32

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de wegenverkeerswet 1994 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    2. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet1994 daaronder verstaat.

  4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductiesportmotoren.

Artikel 5:33

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatiefgebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de wegenverkeerswet 1994 of met een fiets of een paard.

  2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

    1. in het belang van het voorkomen van overlast;

    2. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    3. in het belang van de veiligheid van het publiek.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voorfietsers of berijders van paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    3. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

    1. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    2. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wetmilieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

  3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

  6. Het gevaar bedoeld in het tweede lid, onderdeel c wordt in ieder geval geacht aanwezig te zijn in bos- en natuurgebieden en op erven en terreinen binnen 50 meter van een bos- of natuurgebied tijdens droge perioden waarbij de droogte index (zoals vastgesteld door de Veiligheidsregio Utrecht) meer dan 55 bedraagt.

Artikel 5:37a

Detectieverbod

  1. Het is verboden zich te bevinden met een metaaldetector of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van wapens, munitie, munten, explosieven, metalen voorwerpen en dergelijke in een door het college aangewezen gebied.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op degene aan wie een certificaat als bedoeld in artikel5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet is verstrekt of degene die dit certificaat ingevolge de in artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet bedoelde algemene maatregel van bestuur niet nodig heeft.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een persoon of organisatie die in het bezit is vaneen procescertificaat opsporen conventionele explosieven dat is afgegeven door de bevoegde Minister of een certificerende instelling.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan het college de ontheffing weigeren ter bescherming van:

    1. de woon- en leefomgeving;

    2. flora en fauna.

Artikel 5:38

begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder de hieronder genoemde begrippen verstaan:

  • bedrijfsmatig: in de uitoefening van een beroep of bedrijf of tegen vergoeding, zoals bedoeld in artikel 1.1.1 en artikel 2.3.6 van het Vuurwerkbesluit;

  • vuurwerk: pyrotechnische artikelen ter vermaak, zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit;

Artikel 5:38a

bedrijfsmatig (doen) ontbranden van vuurwerk

  1. Het is verboden, zonder vergunning van de burgemeester, bedrijfsmatig vuurwerk te doen ontbranden.

  2. Met vergunning van de burgemeester is het toegestaan bedrijfsmatig vuurwerk te doen ontbranden op:

    1. 31 december, vanaf 18.00 uur

    2. 1 januari, tot 02.00 uur

    3. Koningsdag, vanaf 18 uur

    4. Bevrijdingsdag, vanaf 18 uur

  3. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid kan de burgemeester ten hoogste drie vergunningen per jaar verlenen.

  4. Voor de in het eerste en tweede lid genoemde activiteit geldt dat deze geen onaanvaardbare overlast mogen veroorzaken. Voorts is artikel 1:5 van deze verordening van toepassing.

  5. Voor de in lid twee genoemde activiteit geldt voorts dat

    • de activiteit plaatsvindt tussen 20 en 22 uur,

    • de activiteit niet langer duurt dan een aaneengesloten periode van 15 minuten,

    • geen vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht dat uitsluitend bedoeld is om een of meerdere knallen te veroorzaken,

  6. De burgemeester kan over de in het vierde lid genoemde onderwerpen, en over de maximale hoeveelheid vuurwerk en over de beperking naar een gebied of locaties waar vuurwerk tot ontbranding kan worden gebracht, nadere regels stellen.

  7. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Vuurwerkbesluit, of de Provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:38b

aanvraag vergunning

De burgemeester maakt nadere regels bekend waarin is beschreven dat een beperkt recht beschikbaar is, hoe voor een vergunning hiervoor zoals genoemd in artikel 5:38a een aanvraag kan worden ingediend en hoe deze in behandeling wordt genomen.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Zeist 2025