1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of op andere wijze verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het college kan in nadere regels bepalen dat het in het eerste lid bedoelde verbod niet geldt als aan in de regels genoemde voorwaarden wordt voldaan. Deze regels kunnen betrekking hebben op de belangengenoemd in artikel 1:5, eerste lid en artikel 2:10, derde en vierde lid, van deze verordening.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

  5. De in dit artikel bedoelde vergunning is objectgebonden