-
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
-
Degene die op een openbare plaats
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
-
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Algemene plaatselijke verordening Zeist 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Bijzondere bepalingen over slijtersbedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
- Artikel 2:41
- Artikel 2:42
- Artikel 2:43
- Artikel 2:44
- Artikel 2:45
- Artikel 2:46
- Artikel 2:47
- Artikel 2:47A
- Artikel 2:48
- Artikel 2:48a
- Artikel 2:49
- Artikel 2:50
- Artikel 2:50a
- Artikel 2:51
- Artikel 2:52
- Artikel 2:53
- Artikel 2:54
- Artikel 2:55
- Artikel 2:56
- Artikel 2:57
- Artikel 2:58
- Artikel 2:59
- Artikel 2:60
- Artikel 2:61
- Artikel 2:62
- Artikel 2:63
- Artikel 2:64
- Artikel 2:65
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk en carbidschieten
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Toezicht op smart- en headshops
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Gebiedsontzeggingen, sluiting voor publiek openstaande gebouwen, tegengaan woonoverlast
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het Natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk
Artikel 2:1a
verstoring van de openbare orde e.d.
-
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze:
de orde te verstoren;
zich hinderlijk te gedragen;
personen lastig te vallen;
te vechten;
del te nemen aan een samenscholing;
onnodig op te dringen of
door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden
-
Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste lid genoemde plaatsen een voorwerp of stof kennelijk meegebracht om die orde te verstoren, bij zich te hebben.
-
Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen of openbare plaatsen, wanneer deze door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
-
Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting van een gedeelte van de weg of vanwege het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.
Artikel 2:3
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
-
Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
-
De kennisgeving bevat:
de naam en het adres van degene die de betoging houdt;
het doel van de betoging;
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
de plaats en, voor zover van toepassing, de route en plaats van beëindiging;
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling en
de maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
-
Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin de datum en het tijdstip waarop de kennisgeving is gedaan is vermeld.
-
Indien het tijdstip waarop de kennisgeving is gedaan valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving geacht te zijn gedaan uiterlijk 12.00uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
-
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Artikel 2:10
Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan
-
Het is verboden voorwerpen op, aan of boven een weg of weggedeelte te hebben of te plaatsen waardoor de weg wordt gebruikt anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de ontheffing of vergunning worden geweigerd indien:
het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg;
het gebruik de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg;
het gebruik gevaar oplevert of kan opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of;
door het gebruik cultuurhistorische waarden worden aangetast of kunnen worden aangetast;
door het gebruik groenvoorzieningen en/of natuurschoon worden aangetast of kunnen worden aangetast;
het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
-
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving en met het oog op de belangen genoemd in het vierde lid nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen van containers, terrassen, uitstallingen, aankondigingsborden, reclameborden, verwijsborden of andere borden, spandoeken, geveltuinen en ander gebruik van een weg of weggedeelte dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
-
Het college kan in nadere regels bepalen dat voor containers, terrassen, uitstallingen, aankondigingsborden, reclameborden, verwijsborden of andere borden, spandoeken, geveltuinen en ander gebruik van een weg of weggedeelte dan overeenkomstig de publieke functie daarvan het in het eerste lid bedoelde verbod niet geldt als aan in de regels genoemde voorwaarden wordt voldaan.
-
Dit artikel geldt niet voor:
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
terrassen als bedoeld in artikel 2:27, sub b;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17.
-
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
-
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of op andere wijze verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
-
Het college kan in nadere regels bepalen dat het in het eerste lid bedoelde verbod niet geldt als aan in de regels genoemde voorwaarden wordt voldaan. Deze regels kunnen betrekking hebben op de belangengenoemd in artikel 1:5, eerste lid en artikel 2:10, derde en vierde lid, van deze verordening.
-
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
-
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
-
De in dit artikel bedoelde vergunning is objectgebonden
Artikel 2:12
Maken, veranderen van een uitweg
-
Het is verboden zonder vergunning:
een uitweg te maken naar de weg;
van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
-
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:
de bruikbaarheid van de weg;
het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente;
het parkeren.
-
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschap verordening.
Artikel 2:14
Winkelwagentjes
-
De rechthebbende op een bedrijf dat winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht:
ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en
de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
-
Het college kan gebieden buiten de omgeving van het bedrijf aanwijzen, waar tevens een opruimplicht voor winkelwagentjes geldt.
-
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 2:18
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
-
Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.
-
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
-
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en op aangrenzende erven.
-
De aangewezen periode, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, omvat in ieder geval de periode waarin de door de Veiligheidsregio Utrecht bepaalde Droogte-index groter is dan 125.
Artikel 2:21
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
-
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:22
Objecten onder hoogspanningslijn
-
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
-
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Artikel 2:23
Veiligheid op het ijs
-
Het is verboden:
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 2:24
Begripsbepaling
-
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoopvoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet.
snuffelmarkten in ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening.
reguliere sportactiviteiten in en op sportaccommodaties en sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen, als bedoeld in het tweede lid onder f.
-
Onder evenement wordt mede verstaan:
een herdenkingsplechtigheid;
een braderie;
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
een feest, waaronder begrepen een straat- of buurtfeest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
een snuffelmarkt. Een snuffelmarkt is een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.
Alle vormen van vechtsportwedstrijden of -gala’s.
-
In dit artikel afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement, waarbij:
er een organisator is.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen (binnen-en buitenactiviteiten);
c. de activiteiten plaatsvinden op maandag tot en met zaterdag tussen 08.00 uur en 24.00 uur of op een zondag tussen 13.00 uur en 24.00 uur, niet zijnde een erkende nationale feest- en gedenkdag;
d. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 uur of na 23.00 uur of op zondag voor 13.00 uur of na 23.00 uur, tenzij een ontheffing geluid is verleend of melding incidentele festiviteit is gedaan;
gedurende het evenement het maximale geluidsniveau van 70 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige objecten niet wordt overschreden;
er geen alcoholhoudende dranken worden verkocht;
bij gebruik van een gebouw wordt er voldaan aan de gebruiksvoorwaarden voortvloeiende uit de gebruiksmelding behorend bij het gebouw;
geen gebruiksmelding of afwijking van de gebruiksmelding nodig is in de zin van het besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
de activiteiten geen belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten en er geen verkeersmaatregelen of omleidingen van het openbaar vervoer nodig zijn;
er geen weg langer dan 80 meter of gebiedsontsluitingswegen worden afgezet en onder opgave van een route;
het evenement niet geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op openbaar water;
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object, met een maximum van vier losse objecten;
het evenement geen vechtsportevenement is.
Artikel 2:25
Evenement
-
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
-
De burgemeester kan bepalen dat de door hem aan te wijzen categorieën van evenementen voor 01 november van het voorafgaande kalenderjaar door de organisator aan hem worden gemeld onder opgave van de te verwachten datum van het evenement en de aard van het evenement. Deze worden opgenomen in een evenementenkalender. Indien het evenement in de aangewezen categorie niet tijdig is opgenomen in die kalender, kan de burgemeester de vergunningaanvraag buiten behandeling stellen.
-
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement als bedoeld in artikel 2:24 lid 3, als de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement, via het door de burgemeester vastgestelde meldingsformulier, melding heeft gedaan aan de burgemeester.
-
De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
-
Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
-
Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, bedoelde vechtsportwedstrijd of -gala.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder e, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
Artikel 2:25a
Indiening aanvraag
-
Aan de hand van de aanvraag wordt een risicoscan uitgevoerd en het evenement als volgt aangeduid:
Onder A-evenement wordt verstaan: een regulier evenement.
Onder B-evenement wordt verstaan: een aandacht evenement.
Onder C-evenement wordt verstaan: een risico evenement.
-
De aanvraag voor een vergunning met behandelclassificatie A dient uiterlijk 8 weken voor aanvang van het evenement volledig ingediend te zijn.
-
De aanvraag voor een vergunning met behandelclassificatie B of C-evenement dient uiterlijk 12 weken voor aanvang van het evenement volledig ingediend te zijn.
-
Bij een aanvraag om vergunning worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd;
ingevuld en ondertekend aanvraagformulier voor een evenementenvergunning, inclusief daarin gevraagde bijlagen;
situatietekening op schaal inclusief de te plaatsen objecten met maatvoering;
een veiligheidsplan en verkeers- en mobiliteitsplan;
beschrijving van de mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde en veiligheid;
-
Bij de indiening van een vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd. Voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
-
De burgemeester kan nadere regels vaststellen over de categorieën evenementen, de indieningstermijnen en de indieningsvereisten voor aanvragen om evenementenvergunningen en de beslistermijnen op aanvragen om evenementenvergunning.
Artikel 2:27
Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, shishalounge, coffeeshop, afhaalpunt, fast- en foodbezorging, take away, maaltijdbezorging, discotheek, buurthuis en clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;
terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar sta-of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;
vergunninghouder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in artikel2:28, eerste lid van deze verordening is verleend;
leidinggevende:
de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend;
de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een openbare inrichting;
de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft in een openbare inrichting;
barvrijwilliger: de natuurlijke persoon, als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Alcoholwet.
Artikel 2:28
exploitatie openbare inrichting
-
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester
een openbare inrichting te exploiteren;
één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor zover deze onder de uitzonderingscategorie van artikel 2:28, vierde lid van deze verordening vallen.
-
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan en geen vergunning is verleend voor een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld onder artikel 5.1, lid 1, onder a van de Omgevingswet.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning weigeren indien:
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
niet voldaan is aan de ingevolge deze afdeling voor de leidinggevenden geldende eisen;
moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.
-
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in
een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
een zorginstelling;
een museum; of
een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.
-
Het college kan nadere regels vaststellen voor het aantal openbare inrichtingen waarvoor per categorie exploitatievergunning kan worden verleend alsmede voor die inrichting(en) geldende nadere voorwaarden.
Artikel 2:28a
Eisen aan leidinggevenden
De leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen:
zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;
zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
zij staan niet onder curatele.
Artikel 2:28b
Wijziging aanhangsel exploitatievergunning
-
Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
-
De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.
-
De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in artikel 28c, eerste lid, van deze verordening niet voldoet aan de in artikel 2:28a van deze verordening gestelde eisen.
Artikel 2:28c
Eisen tijdens openingstijden
-
Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de openbare inrichting niet aanwezig is:
een op de vergunning of het aanhangsel vermelde leidinggevende, of – indien de openbare inrichting wordt geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon – een barvrijwilliger;
een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28b, eerste lid, van deze verordening is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.
-
Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op exploitatievergunningen, als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, aanhef en onder b., van deze verordening, die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras.
-
Indien een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet een openbare inrichting exploiteert, voldoen ten minste twee leidinggevenden aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.
Artikel 2:28d
Wijziging exploitatievergunning openbare inrichting
Indien een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien aan de ten aanzien van de openbare inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning.
Artikel 2:28e
Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden
In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning intrekken, wijzigen of schorsenindien:
de vergunninghouder en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden;
aannemelijk is dat de vergunninghouder en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat inde omgeving van de inrichting;
de vergunninghouder en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
de vergunninghouder en/of leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook;
zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd)geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting.
een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste driemaal op grond van artikel 2:28b, eerste lid van deze verordening om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28b, derde lid van deze verordening.
de vergunninghouder binnen zes maanden na het afgeven van de vergunning, geen start maakt met de exploitatie;
de vergunninghouder gedurende een aangesloten periode van 1 jaar, geen gebruik maakt van de exploitatievergunning.
Artikel 2:28f
Terrassen
-
Indien een aanvraag om een exploitatievergunning mede of uitsluitend betrekking heeft op een bij de inrichting behorend terras, kan de burgemeester aan de ingebruikname van het terras voorschriften en/of beperkingen verbinden, onder andere ten aanzien van:
de inrichting, situering en het gebruik van het terras;
gedragsregels die op het terras in acht moeten worden genomen;
de aanwezigheid en inrichting van tappunten op het terras;
de brandveiligheid.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28 van deze verordening kan de burgemeester de ingebruikname van het terras weigeren:
als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer, gebruik en onderhoud van de weg;
als dat gebruik afbreuk doet aan een publieke functie van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
-
Alle voorzieningen ten behoeve van het terras moeten semi-permanent zijn. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, zijn de vergunninghouder en de leidinggevenden verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, op eigen kosten te verwijderen.
-
Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het bepaalde in het eerste en tweede lid is toegestaan.
-
Buiten de openingstijden van het terras zoals bepaald in artikel 2:29, eerste en het vierde tot het zesde lid en artikel 2:30, eerste en tweede lid, van deze verordening dient al het meubilair van het terras verwijderd te zijn, dan wel op zodanige wijze onderling met elkaar verbonden dat het niet te verplaatsen is.
-
De burgemeester is bevoegd tot het stellen van nadere regels ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.
Artikel 2:29
Sluitingstijd
-
Openbare inrichtingen zijn dagelijks gesloten tussen 24 uur en 6 uur (sluitingstijd).
-
Het in het eerste lid van deze verordening bepaalde is niet van toepassing tijdens de nacht van 31december op 1 januari, onder de voorwaarde dat iedere vergunninghouder van een openbare inrichting dient te zorgen dat geen verstoring plaatsvindt van de openbare orde en veiligheid in relatie tot het woon-en leefklimaat.
-
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven gedurende de sluitingstijd
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
-
De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid en daarbij bepalen dat andere sluitingstijden gelden.
-
Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a., gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
-
Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin is voorzien bij of krachtens de Wetmilieubeheer.
-
De aanvraag voor een tijdelijke ontheffing sluitingstijd dient uiterlijk 8 weken voor aanvang van de gewenste datum volledig ingediend te zijn.
Artikel 2:30
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31
Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting
de orde te verstoren;
zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond vaneen besluit krachtens artikel 2:30, eerste en tweede lid;
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;
Artikel 2:32
Handel binnen openbare inrichtingen
De vergunninghouder van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, als genoemd in de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bestuursorgaan.
Artikel 2:34
Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
alcoholhoudende drank;
horecabedrijf;
horecalokaliteit;
inrichting;
paracommerciële rechtspersoon;
sterke drank;
slijtersbedrijf;
zwak-alcoholhoudende drank;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34a
Schenktijden paracommerciële rechtspersonen
-
Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken tijdens de volgende schenktijden:
Korfbal-, voetbal- en hockeyverenigingen
maandag tot en met vrijdag vanaf 19.00 uur tot 24.00 uur.
zaterdag en zondag vanaf 12.00 uur tot 19.00 uur, behoudens in gevallen waarin wedstrijden eindigen na 17.30 uur, in welk geval het is toegestaan om tot 1,5 uur na de wedstrijdalcoholhoudende drank te verstrekken met een uiterlijke schenktijd van 21.00 uur
Tennis-, jeu de boules-, petanque- en omni-verenigingen
maandag tot en met vrijdag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur.
zaterdag en zondag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur.
Overige rechtspersonen van sportieve aard
maandag tot en met vrijdag vanaf 16.00 tot 24.00 uur.
zaterdag en zondag vanaf 16.00 tot 24.00 uur.
-
Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29(sluitingstijd), alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk één uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.
-
Het is paracommerciële rechtspersonen, als bedoeld in het eerste lid, onder a., voor ten hoogste zestiendagen per jaar toegestaan om, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 (sluitingstijd) de in het eerste lid gestelde schenktijden te overschrijden tijdens bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
-
Het is paracommerciële rechtspersonen, als bedoeld in het eerste lid, onder b. en c., voor ten hoogste twaalf dagen per jaar toegestaan om, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 (sluitingstijd) de in het eerste lid gestelde schenktijden te overschrijden tijdens bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
-
Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk twee weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het derde of vierde lid melding hiervan aan de burgemeester.
Artikel 2:34b
bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen
-
Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, gelegen in het dorp Austerlitz, kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens per jaar ten hoogste 10 bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
-
Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, als dit zou leiden tot oneerlijke mededinging.
-
Het is niet toegestaan om bijeenkomsten van persoonlijke aard aan te prijzen, met uitzondering van bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid.
-
Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk vier weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid melding hiervan aan de burgemeester.
Artikel 2:34c
Verbod ‘happy hours’
Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Artikel 2:35
Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36
Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:39
Speelgelegenheden
Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
Artikel 2:39a
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:
speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;
speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en
speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op kansspelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a., van de Wet op de kansspelen te verrichten.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 weigert de burgemeester de vergunning:
indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;
indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan en geen vergunning is verleend voor een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld onder artikel 5.1, lid 1, onder a van de Omgevingswet.
Artikel 2:41
Betreden gesloten woning, lokaal of erf
-
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiektoegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
-
De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
Artikel 2:42
Plakken en kladden
-
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
-
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
-
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
-
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
-
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
-
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
-
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2:43
Vervoer plakgereedschap e.d.
-
Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.
-
Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.42.
Artikel 2:44
Vervoer inbrekerswerktuigen
-
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
-
Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen ofte verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
-
Het is verboden op een openbare plaats en/of in de nabijheid van winkels, gedurende de openingstijden daarvan, te vervoeren of aanwezig te hebben een tas of ander voorwerp die/dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
-
Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de tas het voorwerp niet bestemd of gebruikt is voor de in dat lid bedoelde handeling.
Artikel 2:47
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
-
Het is verboden:
op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, heining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47A
Skeeleren, skateboarden
-
Burgemeester en wethouders kunnen openbare plaatsen aanwijzen, waar het skeeleren of skateboarden naar hun oordeel:
schade kan veroorzaken aan die plaatsen of aan de in de nabijheid van die plaatsen gelegen gebouwen of andere zaken en/of
voor de weggebruikers of voor de gebruikers van de in de nabijheid van die plaatsen gelegen gebouwen gevaarlijk of hinderlijk kan zijn.
-
Het is verboden om op de in lid 1 aangewezen plaatsen te skeeleren of te skateboarden.
Artikel 2:48
Verboden drankgebruik
-
In aanvulling op artikel 45, eerste lid, van de Alcoholwet is het voor personen van 18 jaar en ouderverboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
-
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a., waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet;
Artikel 2:49
Verboden gedrag bij of in gebouwen
-
Het is verboden:
zich zonder redelijk doel in een portiek, poort of brandgang op te houden;
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
-
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonderredelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
Artikel 2:50
Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen ofte bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Artikel 2:50a
Messen en andere voorwerpen als steekwapen
-
Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.
-
Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
-
Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Artikel 2:52
Overlast van fiets of bromfiets op markt e.d.
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:57
Loslopende honden
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
-
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a. niet geldt.
-
De verboden genoemd in het eerste lid onder a. en b. gelden niet voor zover de eigenaar of houder vaneen hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58
Verontreiniging door honden
-
De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:
op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;
op een andere door het college aangewezen plaats.
-
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a. niet geldt.
-
De eigenaar of houder van een hond is, zodra hij zich met de hond op de openbare weg begeeft, verplicht een opruimzakje of ander soort opruimmiddel bij zich te dragen.
-
De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
-
Het bepaalde in het eerste, tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing op de eigenaar of houd ervan een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2:59
Gevaarlijke honden
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:
anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
-
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid onder c., geldt voor de hond als bedoeld in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.
-
In het eerste lid wordt verstaan onder:
muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevig kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en datgeen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;
kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.
Artikel 2:60
Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
-
Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:
aanwezig te hebben, of
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels,
aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven, en/of
te voeren.
-
Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven, dan wel te voeren.
-
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
Artikel 2:62
Loslopend vee
De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:64
Bijen
-
Het is verboden bijen te houden:
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensenverblijven;
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
-
Het in het eerste lid, aanhef en onder a. gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouderrechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
-
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
-
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 2:66
Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
-
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed.
-
De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.
Artikel 2:68
Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
van een verandering van de onder a., sub 1°, bedoelde adressen;
als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:70
Handel in horecabedrijven
(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32).
Artikel 2:71
Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:72
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking testellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.
Artikel 2:73
Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
-
Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
-
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
-
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet van toepassing in situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73a
Carbidschieten
-
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
-
Het college is bevoegd van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing te verlenen.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wetwapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.
-
In aanvulling op artikel 1:3, tweede lid, van deze verordening is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wetbestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing voor dit artikel2:73a.
Artikel 2:73b
Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen
-
Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen [of voorwerpen] als bedoeld in artikel 2:73a te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:73a.
-
Het verbod is niet van toepassing op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.
-
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wetwapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:74
Drugshandel op straat en openlijk drugsgebruik
-
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg of andere openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
-
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Artikel 2:74a
Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zijbedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verbandhouden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer vaak wordt aangeduid als een smartshop of headshop.
leidinggevende:
de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;
de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;
de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;
bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van:
de leidinggevende(n) en de levenspartner en kinderen van een leidinggevende van de inrichting;
de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
smartshop: een locatie waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders da nom niet psychoactieve substanties, waaronder niet-traditionele genotmiddelen op natuurlijke basis en gerelateerde literatuur en accessoires worden bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn.
headshop: een locatie waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet artikelen en hulpmiddelen voor het gebruik van drugs zoals jointvloeitjes, (water)pijpen, grinders, vaporizers en dergelijke te koop worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn.
Artikel 2:74b
Vergunningplicht
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een inrichting, zoals beschreven onder 2:74a, eerste lid, te exploiteren.
Artikel 2:74c
Eisen leidinggevende
Een leidinggevende voldoet aan de volgende eisen:
hij/zij staat niet onder curatele;
hij/zij is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
hij/zij heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Artikel 2:74d
Nadere regels
Het college kan nadere regels vaststellen voor het aantal inrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend alsmede voor die inrichting(en) geldende nadere voorwaarden.
Artikel 2:74e
Vergunningaanvraag
-
Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.
-
Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt ten minste:
opgaaf gedaan van de personalia van de leidinggevende(n) voor wiens rekening en risico deinrichting wordt geëxploiteerd;
opgaaf gedaan van de personalia en het adres van iedere overige leidinggevende;
opgaaf gedaan van het adres en de aard van de bedrijfsuitoefening;
overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de leidinggevende afgegeven verklaring omtrent het gedrag;
overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting (schaal 1 : 100).
Artikel 2:74f
Beslistermijn
-
De burgemeester beslist binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen.
-
De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging.
-
In aanvulling op artikel 1:3, tweede lid, van deze verordening is op de aanvraag om een vergunning paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:74g
Weigeringsgronden
-
De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en hiervan niet bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgeweken.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 weigert de burgemeester de vergunning als:
voor zover hier om door het bevoegd gezag is verzocht, de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende(n) overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven;
niet voldaan is aan de ingevolge deze afdeling voor de leidinggevenden geldende eisen;
redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.
-
De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van deinrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van deinrichting nadelig wordt beïnvloed.
-
Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester in ieder geval rekening met:
het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;
de aard van de inrichting;
de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;
de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;
de wijze van bedrijfsuitoefening door de leidinggevende(n) van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;
de wijze van bedrijfsuitoefening van de inrichting in het verleden.
Artikel 2:74h
Vergunning
-
In een vergunning worden vermeld:
de natuurlijke of rechtspersoon of -personen aan wie de vergunning is verleend;
de leidinggevenden;
tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;
de plaats waar de inrichting zich bevindt;
de situering en de oppervlakten van de lokaliteiten.
-
vergunning of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig.
Artikel 2:74i
Aanwezigheid leidinggevende
Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevendeaanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting.
Artikel 2:74j
Intrekkingsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning intrekken, als:
aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
een leidinggevende van de inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
een persoon, die niet als leidinggevende is vermeld op de vergunning die voor de inrichting geldt, leidinggevende is geworden van die inrichting;
de bedrijfsuitoefening van de inrichting voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken;
niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in of krachtens deze afdeling.
Artikel 2:74k
Vervallen vergunning
De vergunning vervalt indien een vergunning, strekkende ter vervanging van een eerdere vergunning voordezelfde inrichting, is verleend.
Artikel 2:74l
Sluiting van inrichtingen
-
De burgemeester kan de inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur - gesloten verklaren als:
die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;
die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met het bepaalde in deze verordening of met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen.
-
De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht.
-
Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeelvoldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
-
Het is verboden, na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot deinrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.
-
Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten inrichting als bezoeker te verblijven.
Artikel 2:74m
Toegang opsporingsambtenaren en toezichthouders
De leidinggevende van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering alsmede de ambtenaren die door burgemeester en wethouders of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf:
gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel
gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en als die opsporingsambtenaren/toezichthouders hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2:74n
Overgangsbepaling
Op bestaande inrichtingen als bedoeld in artikel 2:74a, eerste lid, is het bepaalde in artikel 2:74b(vergunningplicht) niet van toepassing:
gedurende dertien weken na het in werking treden daarvan;
na afloop van de onder a gestelde termijn, indien binnen deze termijn door een daartoe bevoegde een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:74e is ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester een besluit is genomen.
Artikel 2:75
Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 en/of 2:73 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76
Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare ordedoor de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77
Cameratoezicht op openbare plaatsen
-
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
-
De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor het publiek toegankelijke door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen.
Artikel 2:78
Gebiedsontzeggingen
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 72 uur, al dan niet aaneengesloten, in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
-
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen twaalf maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
-
De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.
-
Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.
-
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 2:78a
Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen
-
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
-
Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.
-
Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeelvoldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
-
Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
-
Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.
-
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien elders in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:79
Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
-
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
-
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
geluid- of geurhinder;
hinder van dieren;
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:80
-
In dit artikel wordt verstaan onder:
bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:4;
beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;
exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
-
De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.
-
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.
-
De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:
voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;
het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
het nummer van inschrijving in het Handelsregister;
voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;
voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag;
als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
-
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.
-
Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
-
De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
-
Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
-
De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.
-
Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
-
Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven.
-
De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
-
In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.