1. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de openbare inrichting niet aanwezig is:

    1. een op de vergunning of het aanhangsel vermelde leidinggevende, of – indien de openbare inrichting wordt geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon – een barvrijwilliger;

    2. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28b, eerste lid, van deze verordening is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.

  2. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op exploitatievergunningen, als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, aanhef en onder b., van deze verordening, die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras.

  3. Indien een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet een openbare inrichting exploiteert, voldoen ten minste twee leidinggevenden aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.