1. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en hiervan niet bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgeweken.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. voor zover hier om door het bevoegd gezag is verzocht, de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende(n) overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven;

    2. niet voldaan is aan de ingevolge deze afdeling voor de leidinggevenden geldende eisen;

    3. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  3. De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van deinrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van deinrichting nadelig wordt beïnvloed.

  4. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester in ieder geval rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

    4. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;

    5. de wijze van bedrijfsuitoefening door de leidinggevende(n) van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;

    6. de wijze van bedrijfsuitoefening van de inrichting in het verleden.