1. In tijden van uitzonderlijke droogte kan het college een periode aanwijzen waarbinnen in bossen en natuurterreinen een rookverbod geldt dan wel een verbod op verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven en vuur voor koken, bakken en braden.

  2. Het college kan ook overige openbare plaatsen aanwijzen waarbinnen het in het eerste lid genoemde verbod eveneens geldt.