1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

    1. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, of een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. het beoogde gebruik op zichzelf, of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden.

  3. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  4. Het verbod in het eerste lid geldt niet ten aanzien van tijdelijke reclameborden, met dien verstande, dat:

    1. ten minste 4 weken voorafgaand aan het plaatsen van de tijdelijke reclameborden melding is gedaan aan het bevoegd bestuursorgaan;

    2. de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde nadere regels als genoemd in het tweede lid worden nageleefd.

  5. Het college besluit binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding het plaatsen van tijdelijke reclameborden als bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien;

    1. onvoldoende informatie is verstrekt om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de nadere regels als bedoeld in het tweede lid;

    2. het maximale aantal meldingen per periode wordt overschreden, overeenkomstig de nadere regels als bedoeld in het tweede lid.

  6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:10;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:11; en

    3. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  8. Op de ontheffing, niet zijnde een omgevingsvergunning, bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.