1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten pleegt of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven om zich gedurende 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  2. De burgemeester kan, met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen, aan degene aan wie eerder een bevel is gegeven en ten aanzien van wie wordt geconstateerd, dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt of opnieuw een openbare orde verstorende handeling verricht, een bevel geven om zich gedurende (ten hoogste) vier weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  3. Een bevel als genoemd in het tweede lid kan slechts worden uitgereikt indien het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling wordt geconstateerd binnen zes maanden na het opleggen van een eerder bevel op grond van het eerste of tweede lid.

  4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde bevelen indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is, of in verband met de in het eerste lid genoemde belangen verantwoord.

  5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester gegeven bevel.