-
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
-
Degene die op een openbare plaats:
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
-
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Peel en Maas BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op campings en recreatieparken
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
- Artikel 2:41
- Artikel 2:42
- Artikel 2:43
- Artikel 2:44
- Artikel 2:45
- Artikel 2:46
- Artikel 2:47
- Artikel 2:48
- Artikel 2:48a
- Artikel 2:49
- Artikel 2:50
- Artikel 2:50a
- Artikel 2:50b
- Artikel 2:51
- Artikel 2:52
- Artikel 2:53
- Artikel 2:54
- Artikel 2:55
- Artikel 2:56
- Artikel 2:57
- Artikel 2:58
- Artikel 2:59
- Artikel 2:59a
- Artikel 2:60
- Artikel 2:61
- Artikel 2:62
- Artikel 2:63
- Artikel 2:64
- Artikel 2:65
- Artikel 2:65a
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk
Artikel 2:2
(Vervallen)
Artikel 2:3
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
-
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
-
De kennisgeving bevat:
naam en adres van degene die de betoging houdt;
het doel van de betoging;
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
-
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
-
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
-
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4
(Vervallen)
Artikel 2:5
(Vervallen)
Artikel 2:7
(Vervallen)
Artikel 2:8
(Vervallen)
Artikel 2:10
Voorwerpen op of aan de weg
-
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid en/of veilig gebruik van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg en/of een belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg;
niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
-
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
-
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en overige objecten op of aan de openbare plaats.
-
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod, zoals bedoeld in lid 1.
-
De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een gebruik een omgevingsplanactiviteit betreft ex artikel 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet.
-
Het verbod is niet van toepassing op:
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
-
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op de situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
-
Op de ontheffing als bedoeld in het vijfde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
(Gereserveerd)
Artikel 2:12
Maken of veranderen van een uitweg
-
Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:
daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of
het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
-
Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.
-
Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg in het belang van:
de bruikbaarheid van de weg;
het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
-
De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
-
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
-
Het college kan nadere regels vaststellen voor het maken of veranderen van uitwegen.
Artikel 2:13
(Vervallen)
Artikel 2:15
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16
Openen straatkolken en dergelijke
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:18
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
-
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter:
te roken;
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19
(Vervallen)
Artikel 2:20
(Vervallen)
Artikel 2:21
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
-
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:24
Definities
-
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoop- en theatervoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39a;
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
-
Onder evenement wordt mede verstaan:
een herdenkingsplechtigheid;
een braderie;
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
een feest (daaronder ook begrepen een keetfeest), muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
een straatfeest of buurtbarbecue;
een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s zoals kooigevechten, freefight, kickboksen, moddergevechten.
Artikel 2:25
Evenementenvergunning
-
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
-
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
-
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist bij:
vergunningsvrije en meldingsplichtige evenementen die voldoen aan de door de burgemeester vastgestelde nadere regels;
wedstrijden op of aan de weg, voor zover die vallen onder de werking van de artikelen 10 en 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
-
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is altijd en zo nodig in afwijking van lid 3 vereist als het betreft:
activiteiten/bijeenkomsten van extremistische aard;
activiteiten/bijeenkomsten van erotische en/of pornografische aard;
tattoo- en/of piercingshows;
vecht(sport)evenementen zoals kooigevechten, free fight, kickboksen, moddergevechten;
bestialiteiten en/of gevechten tussen dieren, waarbij het welzijn van dieren in het geding is;
party’s en andere activiteiten/bijeenkomsten, feesten en festivals waar house, dance, techno en vergelijkbare genres (al dan niet live) ten gehore worden gebracht, waarop de betreffende openbare inrichting niet is ingericht.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:27
Definitie
-
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
-
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en/of waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt of genuttigd, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
-
Onder openbare inrichting wordt niet verstaan een speelautomatenhal;
-
Leidinggevende:
de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd (ondernemer/aanvrager);
de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de openbare inrichting (bedrijfsleider);
de natuurlijke persoon, die directe leiding geeft aan de openbare inrichting (beheerder)
Artikel 2:27a
Eisen leidinggevenden
Leidinggevende(n):
Zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, zulks ter beoordeling van de burgemeester.
Staan niet onder curatele.
Hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt.
Overleggen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.
Artikel 2:28
Exploitatie openbare inrichting
-
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
-
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
-
De vergunning kan worden geweigerd op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB, de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
-
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
zorginstelling, crematorium of begraafplaats;
museum; of
bedrijfskantine of -restaurant.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:29
Sluitingstijd
-
Voor een openbare inrichting gelden geen verplichte sluitingstijden, met uitzondering van de ruimten als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid. Deze ruimten dienen tussen 2.00 uur en 7.00 uur gesloten te zijn.
-
In afwijking van het eerste lid gelden voor openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid dezelfde sluitingstijden als voor de hoofdactiviteit waarvan zij deel uitmaken.
-
In afwijking van het eerste lid is het de para commerciële rechtspersoon verboden de para commerciële inrichting tussen 2.00 en 7.00 uur voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de para commerciële inrichting of bijbehorend terras te laten verblijven. In de nacht van 31 december op 1 januari gelden geen verplichte sluitingstijden.
-
In afwijking van het eerste lid kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving van de openbare inrichting of in geval van bijzondere omstandigheden voor openbare inrichtingen andere sluitingstijden vaststellen.
-
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
-
Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat de inrichting, of een gedeelte daarvan, krachtens het eerste, tweede en derde lid of een ingevolge artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.
Artikel 2:30
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31
Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
de orde te verstoren;
zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
Artikel 2:32
Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:34
(Vervallen)
Artikel 2:34a
Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
alcoholhoudende drank;
horecabedrijf;
horecalokaliteit;
inrichting;
paracommerciële rechtspersoon;
sterke drank;
slijtersbedrijf;
zwak-alcoholhoudende drank;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34b
Regulering paracommerciële rechtspersonen
-
Het is uitsluitend toegestaan in of vanuit de paracommerciële inrichting of bijbehorend terras, waarvan de paracommerciële rechtspersoon zich krachtens haar statutaire doelstelling richt op activiteiten van:
sportieve en recreatieve aard in de openlucht (buitensportverenigingen), onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 van de APV Peel en Maas, alcoholhoudende drank te verstrekken vanaf een uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit van maandag tot en met vrijdag en tot drie uur na afloop van een activiteit op zaterdag en zondag. Activiteiten dienen verband te houden met de doelstelling van de stichting of vereniging, doch niet voor of na de volgende dagen en tijden:
op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag voor 14:00 uur en na 00:00 uur;
op vrijdag voor 14:00 uur en na 01:00 uur;
op zaterdag voor 12:00 uur en na 01:00 uur;
op zondag voor 10:00 uur en na 22:00 uur.
sportieve en recreatieve aard anders dan in de openlucht (binnensportverenigingen), onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 van de APV Peel en Maas, alcoholhoudende drank te verstrekken vanaf een uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend van maandag tot en met vrijdag en tot drie uur na afloop van een activiteit op zaterdag en zondag. Activiteiten dienen verband te houden met de doelstelling van de stichting of vereniging, doch niet voor of na de volgende dagen en tijden:
op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag voor 14:00 uur en na 00:00 uur;
op vrijdag voor 14:00 uur en na 01:00 uur;
op zaterdag en zondag voor 10:00 uur en na 01:00 uur;
gemeenschapshuizen, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 van de APV Peel en Maas, alcoholhoudende drank te verstrekken vanaf een uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit van maandag tot en met vrijdag en tot drie uur na afloop van een activiteit op zaterdag en zondag. Activiteiten dienen verband te houden met de doelstelling van de stichting of vereniging, doch niet voor of na de volgende dagen en tijden:
op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag voor 14:00 uur en na 00:00 uur;
op vrijdag voor 12:00 uur en na 01:00 uur;
op zaterdag voor 10:00 uur en na 01:00 uur;
op zondag voor 10:00 uur en na 00:00 uur.
jongerencentra, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 van de APV Peel en Maas, alcoholhoudende drank te verstrekken vanaf een uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit van maandag tot en met vrijdag en tot drie uur na afloop van een activiteit op zaterdag en zondag. Activiteiten dienen verband te houden met de doelstelling van de stichting of vereniging, doch niet voor of na de volgende dagen en tijden:
op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag voor 14:00 uur en na 01:00 uur;
op vrijdag voor 12:00 uur en na 02:00 uur;
op zaterdag voor 10:00 uur en na 02:00 uur;
op zondag voor 10:00 uur en na 01:00 uur.
overige paracommerciële rechtspersonen, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 van de APV Peel en Maas, alcoholhoudende drank te verstrekken vanaf een uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit van maandag tot en met vrijdag en tot drie uur na afloop van een activiteit op zaterdag en zondag. Activiteiten dienen verband te houden met de doelstelling van de stichting of vereniging, doch niet voor of na de volgende dagen en tijden:
op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag voor 14:00 uur en na 00:00 uur;
op vrijdag voor 14:00 uur en na 01:00 uur;
op zaterdag voor 12:00 uur en na 01:00 uur;
op zondag voor 10:00 uur en na 22:00 uur.
-
Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard zoals bruiloften en partijen én bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn zoals bedrijfsfeesten en personeelsfeesten, tenzij het gaat om de uitzonderingen in lid 3.
-
Lijst van activiteiten die door een paracommerciële instelling mogen worden georganiseerd en waarbij tevens alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt:
Sportieve instellingen/recreatieve instellingen:
Jubileumfeest van het bestuur van de vereniging (maximaal 1 x per 5 jaar);
Kampioenschap;
Afscheidsfeest van het bestuur/een bestuurslid (maximaal 1x per jaar);
Feestavond voor vrijwilligers (maximaal 1 keer per jaar);
Jaarfeest of opening of afsluiting seizoen (maximaal 1 keer per jaar);
Toernooi;
Nieuwjaarsborrel (alleen voor leden).
Sociaal-culturele instellingen:
Bijeenkomsten/vergaderingen/feesten van en voor verenigingen en stichtingen die gebruik maken van het pand (dus alleen toegankelijk voor de leden);
Sociaal-culturele evenementen (ook voor publiek toegankelijk);
Jaarvergaderingen;
Koningsdag-, sinterklaas- en kerstviering;
Nieuwjaarsborrel.
Educatieve instellingen:
Lessen/cursussen;
Afstudeerbijeenkomst/diploma-uitreiking;
Ouderavond;
Laatste schooldag;
Instellingen van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard:
Alle activiteiten die te maken hebben met levensbeschouwelijke of godsdienstige zaken, zoals bijeenkomsten, cursussen, kerstviering.
-
Het is verboden de paracommerciële inrichting en inventaris aan derden te verhuren ten behoeve van activiteiten waarbij alcohol geschonken wordt.
-
In bijzondere omstandigheden kan de burgemeester, zulks ter beoordeling van de burgemeester, afwijken van de leden 1 tot en met 4, indien toepassing ervan niet in verhouding staat tot de met deze leden te dienen doelen.
Artikel 2:35
Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder:
inrichting: alle besloten ruimten waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, aan tijdelijke arbeidskrachten verblijf wordt verschaft. Onder een inrichting wordt in ieder geval verstaan een reguliere woning in woonkernen en het buitengebied, bestaande complexen zoals kloosters, zorgcomplexen, schoolgebouwen, asielzoekerscentra, kantoorpanden of daarmee gelijk te stellen bebouwing, alsmede vrijkomende agrarische bebouwing en vrijkomende niet agrarische bebouwing..
tijdelijke arbeidskrachten: personen die tijdelijk werkzaam zijn of tot doel hebben tijdelijk werkzaam te zijn en die hun vaste woon- of verblijfplaats buiten de inrichting hebben.
exploitant: de natuurlijke persoon of personen, dan wel rechtspersoon of rechtspersonen die een inrichting exploiteert;
beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een inrichting;
Artikel 2:36
Exploitatievergunning
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.
-
In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld:
de persoonsgegevens en contactgegevens van de exploitant en beheerder;
het adres van de inrichting;
het aantal personen dat in de inrichting verblijf wordt verschaft;
de periode waarin in de inrichting aan de personen verblijf wordt verschaft;
het aantal beschikbare parkeerplaatsen.
-
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:36a
Gedragseisen exploitant en beheerder
De exploitant en de beheerder:
staan niet onder curatele;
zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, zulks ter beoordeling van de burgemeester. Tenminste een verklaring omtrent het gedrag is in deze vereist.
hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Artikel 2:36b
Nadere regels
Met het oog op de in artikel 2:36c, tweede lid genoemde belangen, kan de burgemeester over de uitoefening van de bevoegdheden in deze afdeling nadere regels stellen.
Artikel 2:36c
Weigeringsgronden
-
De vergunning als bedoeld in artikel 2:36 wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:36, tweede lid en artikel 2:36a gestelde eisen; de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, omgevingsplan of het ontbreken van een ruimtelijke toestemming als bedoeld in Beleid huisvesting arbeidsmigranten.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2.36 worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
het voorkomen of beperken van overlast;
het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;
de veiligheid van personen of goederen;
de verkeersveiligheid;
de gezondheid of zedelijkheid.
-
De vergunning kan worden geweigerd op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.
Artikel 2:36d
Meldplicht verhuur woningen
-
Degene die een woning kamergewijs wilt verhuren is verplicht om hiervan binnen drie dagen een schriftelijke melding te doen bij de burgemeester;
-
Verhuur aan één gezin hoeft niet gemeld te worden, mits er een BRP inschrijving is.
Artikel 2:36e
Afbakeningsbepalingen
Deze afdeling is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Huisvestingswet of de Omgevingswet.
Artikel 2:37
(Vervallen)
Artikel 2:38
Bijhouden en Verschaffing gegevens nachtregister
-
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
-
De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.
-
De exploitant van de inrichting is als belastingplichtige op grond van artikel 14 van de “Verordening Verblijfsbelasting Peel en Maas” gehouden om verblijfshoudenden te registreren in een nachtregister.
-
De registratie dient plaats te vinden op een door de burgemeester voorgeschreven wijze.
Artikel 2:38a
Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
camping of recreatiepark: (kampeer-)terrein dat planologisch bestemd is ten behoeve van het verschaffen van tijdelijk recreatief nachtverblijf
de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping of recreatiepark exploiteert op grond van artikel 2:38b;
beheerder/leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen;
Artikel 2:38b
Vergunningplicht
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark te exploiteren;
-
De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier;
-
Voor zover voor de exploitatie van de camping of het recreatiepark ook een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 APV benodigd is, er sprake is van eenzelfde eigenaar en beheerder/leidinggevende, wordt één exploitatievergunning verleend.
-
In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld
de persoonsgegevens van de exploitant; en
de persoonsgegevens van de beheerder/leidinggevende.
-
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:38c
Gedragseisen
De exploitant en de beheerder/leidinggevende:
staan niet onder curatele;
zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag, tenminste een verklaring omtrent het gedrag is in deze vereist (VOG); en
hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;
Artikel 2:38d
Weigeringsgronden
-
De burgemeester weigert de vergunning, als:
de exploitant of beheerder/leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:38c gestelde eisen.
de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met een geldend omgevingsplan dan wel bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
ten aanzien van de te verlenen vergunning een negatief BIBOB-advies is ontvangen
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en het vorige lid kan de vergunning geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, als:
naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark, of de openbare orde door de exploitatie van de camping of recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.
de exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen.
dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.
Artikel 2:38e
Sluiting
-
De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien daar:
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verbogen zijn dan wel verworven of overgedragen;
discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend;
zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de camping of recreatiepark ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde;
-
De burgemeester kan de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien:
de exploitant of beheerder handelt in strijd met het bepaalde in artikel 2:38b, eerste lid, of 2:38c onder sub a en b;
de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, omgevingsplan, omgevingswet of voorbereidingsbesluit.
-
De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.
-
De burgemeester draagt zorgt voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan.
-
De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.
Artikel 2:38f
Aanwezigheid in gesloten camping of recreatiepark
-
Het is verboden een camping of recreatiepark te betreden waarvan de sluiting is bevolen;
-
Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf de inrichting te betreden;
Artikel 2:38g
Intrekking vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken indien:
de exploitatie van de camping of recreatiepark door een andere dan in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen;
de exploitant of beheerder/leidinggevende niet meer voldoet aan de in artikel 2:38c onder a en b gestelde eisen;
ten aanzien van de exploitant of beheerder/leidinggevende een negatief BIBOB advies is ontvangen.
Artikel 2:38h
Overgangsbepaling
De gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning krachtens deze afdeling is vereist en die verder niet voorkomen in de Algemeen Plaatselijke Verordening Peel en Maas, zijn niet van toepassingen gedurende twaalf weken na inwerkingtreding van deze afdeling en ook niet na deze termijn, voor zover degene die op grond van deze afdeling een vergunning nodig heeft, binnen de genoemde termijn van twaalf weken een aanvraag voor deze vergunning heeft ingediend, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist.
Artikel 2:38i
(Nacht)verblijf aan de weg
-
Het is verboden om - al dan niet gebruikmakend van enige vorm van beschutting, waar onder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto - op of aan de weg tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen, dan wel tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een ambtenaar van politie in het belang van de openbare orde of veiligheid is aangezegd dat dit moet worden beëindigd.
-
Het is verboden op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten danwel gelegenheid daartoe te bieden.
-
Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste en tweede lid gestelde ontheffing verlenen.
Artikel 2:39
Definities
-
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
-
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:40
Kansspelautomaten
-
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
-
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Artikel 2:40a
Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning
-
In dit artikel wordt verstaan onder:
exploitant; natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
-
De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod in het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan- indien dit met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen;
in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of
in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of
op grond van de door de burgemeester in het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren;
In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
Indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, omgevingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of
indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
-
Naast en in aanvulling op artikel 1:4 eerste lid kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het tweede lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling.
-
De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en/of beheerder;
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant en/of beheerder;
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en/of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
een verklaring omtrent gedrag (VOG) van exploitant en/of beheerder;
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft.
indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen:
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
indien de exploitant en/of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, omgevingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/Beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of
indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.
-
Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
-
De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien van de situaties als bedoeld in het zesde lid, sub a tot en met k, van toepassing is.
-
Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven.
-
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.
-
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.
-
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.
-
Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar.
-
Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing
Artikel 2:41
Betreden gesloten woning of lokaal
-
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
-
De burgemeester is bevoegd van de in het eerste, tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
Artikel 2:42
Plakken en kladden
-
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
-
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
-
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
-
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
-
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
-
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
-
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43
Vervoer plakgereedschap en dergelijke
-
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
-
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44
Vervoer inbrekerswerktuigen
-
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
-
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
-
Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken;
-
Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.. lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde hand
Artikel 2:47
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
-
Het is verboden op een openbare plaats:
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48
Verboden drankgebruik
-
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
-
Het verbod is niet van toepassing op:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:48a
(Vervallen)
Artikel 2:49
Verboden gedrag bij of in gebouwen
-
Het is verboden zonder redelijk doel:
zich in een portiek of poort op te houden;
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
-
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50
Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50a
(Vervallen)
Artikel 2:50b
Vechten
-
Het is verboden in het openbaar te vechten;
-
Het in eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426bis van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:52
Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke
Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53
Bespieden van personen
-
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.
-
Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel 2:54
(Vervallen)
Artikel 2:55
(Vervallen)
Artikel 2:56
(Vervallen)
Artikel 2:57
Loslopende honden
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
-
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
-
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58
Verontreiniging door honden
-
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:59
Gevaarlijke honden
-
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
-
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
-
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
-
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a
Gevaarlijke honden op eigen terrein
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid OF heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
-
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2:61
(Vervallen)
Artikel 2:62
Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:65
Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Artikel 2:65a
Extreme koude
Het is verboden zich bij een gevoelstemperatuur van -10 °C of kouder tussen 21.00 uur en 07.00 uur op te houden in de buitenlucht met het kennelijke doel een aanzienlijk deel van de nacht in de buitenlucht door te brengen.
Artikel 2:69
(Vervallen)
Artikel 2:70
(Vervallen)
Artikel 2:71
Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik
Artikel 2:72
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
-
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73
Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
-
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
-
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
-
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73a
Carbidschieten
-
Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus, container of opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
-
Carbidschieten is verboden.
-
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien:
het carbidschieten plaatsvindt op de dag van 31 december van 10.00 uur tot 18.00 uur en
het vrije schootsveld minimaal 100 meter is en hierin geen openbare wegen of paden liggen en
wordt geschoten in een richting afgewend van de woonbebouwing vanaf een locatie die gelegen is buiten de bebouwde kom op een afstand van tenminste 100 meter van woonbebouwing, 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg, 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden.
er toestemming is van de eigenaar van het perceel.
-
Het verbod in het tweede lid geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht.
Artikel 2:74
Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a
Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Artikel 2:74b
Weggooien van spuiten e.d.
Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de weg dan wel in afvalbakken achter te laten, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt om afstand van het voorwerp te doen.
Artikel 2:74c
Samenscholing in verband met drugs
-
Het is verboden op een openbare plaats aan een verzameling van twee of meer personen deel te nemen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze verzameling van personen verband houdt met het openlijk gebruik van handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.
-
Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.
Artikel 2:75
Bestuurlijke ophouding
-
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de in het tweede lid van dit artikel genoemde artikelen groepsgewijs niet naleven.
-
Het in het eerste lid gestelde is van toepassing op de volgende artikelen:
2:1 (samenscholing en ongeregeldheden)
2:10 (het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen)
2:48 (verboden drankgebruik)
2:49 (verboden gedrag bij of in gebouwen)
2:50 (hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten)
2:65 (bedelarij)
2:73 (bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling)
2:74c (Samenscholing in verband met drugs)
5:34 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken)
Artikel 2:76
Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77
Cameratoezicht op openbare plaatsen
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
Artikel 2:78
Gebiedsontzeggingen
-
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
-
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 12 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
-
Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
-
De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:79
Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
-
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
-
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
geluid- of geurhinder;
hinder van dieren;
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
Intimidatie van derden vanuit een woning of een erf;