1. Het is verboden de weg, weggedeelte of een andere openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan als:

    1. degene die dit voornemen tot gebruik heeft hiervan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets met daarbij een omschrijving van het beoogde gebruik en de beoogde tijdsduur;

    2. het college het beoogde gebruik na ontvangst van de melding tijdig heeft verboden.

  2. Het college verbiedt het anders gebruiken van een openbare plaats dan overeenkomstig de publieke functie daarvan of kan aan dit gebruik voorschriften verbinden:

    1. indien het beoogd gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats en/of het wegmeubilair dan wel hinder kan veroorzaken voor de bruikbaarheid daarvan;

    2. indien het beoogd gebruik een belemmering kan vormen of anderszins hinder kan veroorzaken voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

    3. indien het beoogd gebruik hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    4. ter bescherming van de verkeersveiligheid en het doelmatig en veilig gebruik van de openbare plaats;

    5. ter bescherming van de doorstroming van het verkeer ter plaatse;

    6. ter bescherming van de groenvoorzieningen ter plaatse;

    7. vergunning op grond van artikel 4:6 is vereist en deze niet is verleend.

  3. Het gebruik van een openbare plaats anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan kan - behoudens het bepaalde in artikel 4:6, vierde lid, - worden uitgevoerd indien het college niet binnen 7 werkdagen na ontvangst van de melding heeft beslist dat het gewenste gebruik wordt verboden dan wel dat hier aanvullende voorschriften aan worden verbonden, met dien verstande dat het college deze termijn één maal voor ten hoogste vier weken kan verlengen.

  4. Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 en 2:25, met dien verstande dat men melding maakt van de ingebruikname van de gemeentegrond ten aanzien van een evenement;

    2. standplaatsen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Verordening fysieke leefomgeving;

    3. terrassen als bedoeld in artikel 2:27 en 2:28a;

    4. uitstallingen;

    5. door het college aangewezen categorieën van voorwerpen;

    6. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  5. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van ingebruikname van een openbare plaats ten behoeve van de uitvoering van bouw- sloop- en onderhoudswerkzaamheden.