1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    1. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    2. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    3. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    4. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

    5. de houder dit verzoekt;

    6. toestemming ontbreekt van de rechtmatige beheerder of eigenaar van de onroerende zaak welke voor het gebruikmaken van de vergunning of ontheffing is vereist.

  2. In aanvulling op het eerste lid kan een vergunning of ontheffing ook ingetrokken, geschorst of gewijzigd worden indien:

    1. de exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    2. de exploitant of beheerder van een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:2 in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.