1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet op de Kansspelen;

    2. behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de Wet op de Kansspelen;

    3. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet op de Kansspelen;

    4. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet op de Kansspelen;

    5. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet op de Kansspelen.

  2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

  3. In laagdrempelige inrichtingen zijn geen kansspelautomaten toegestaan.

  4. Per horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 zijn maximaal drie behendigheidsautomaten toegestaan.

    (wijkt af van VNG-model)