Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 van deze verordening, kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:

  1. de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:39c heeft opgenomen;

  2. het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:39d, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden;

  3. het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden;

  4. in de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in de speelgelegenheid;

  5. de openbare orde, de veiligheid, of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de speelgelegenheid wordt verstoord of benadeeld;

  6. de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2:39f gestelde eisen;

  7. de exploitant of beheerder de in artikel 2:39h neergelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt;

  8. de exploitant of beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.

    (wijkt af van VNG-model)