1. Het college kan een of meer gedeelten van het strand als activiteitenstrand aanwijzen.

  2. Het college is bevoegd om de verboden als bedoeld in de artikelen 6:3, 6:4, 6:5 geheel of gedeeltelijk niet van toepassing te verklaren op het activiteitenstrand.

  3. Het college is bevoegd met het oog op de bescherming van de gezondheid van deelnemers aan sportactiviteiten en overige bezoekers van het activiteitenstrand, de openbare orde en veiligheid en het doelmatig gebruik van het strand nadere regels of beperkingen te stellen met betrekking tot de op het activiteitenstrand toegelaten activiteiten.

  4. Het is verboden zich te gedragen in strijd met of in afwijking van de regels welke krachtens het derde lid zijn gesteld.