1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door het college op grond van het eerste lid van artikel 2:65b aangewezen gebouw of gebied voor door het college benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    2. indien de uitoefening van het bedrijf een door het college op grond van het eerste lid van artikel 2:65b aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. als naar zijn oordeel de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed door de wijze van exploitatie;

    3. de exploitant of beheerder onder curatele of bewind staan;

    4. op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; of

    5. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    6. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    7. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    8. als niet specifiek wordt voldaan aan specifieke voorwaarden die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit.

  3. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.