Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.
Algemene plaatselijke verordening 2023 gemeente Beesel BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Paragraaf Bestrijding van ongeregeldheden
Paragraaf Optochten en betoging
Paragraaf Verspreiden van gedrukte stukken
Paragraaf Bruikbaarheid van de weg
Paragraaf Veiligheid op de weg
Paragraaf Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Paragraaf Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Toezicht op speelgelegenheden
- Artikel 2.39
- Artikel 2.40
- Artikel 2.41a
- Artikel 2.41b
- Artikel 2.41c
- Artikel 2.41d
- Artikel 2.41e
- Artikel 2.41f
- Artikel 2.41g
- Artikel 2.41h
- Artikel 2.42
- Artikel 2.43
- Artikel 2.44
- Artikel 2.45
- Artikel 2.46
- Artikel 2.47
- Artikel 2.48
- Artikel 2.49
- Artikel 2.50
- Artikel 2.51
- Artikel 2.52
- Artikel 2.53
- Artikel 2.54
- Artikel 2.55
- Artikel 2.56
- Artikel 2.57
- Artikel 2.58
- Artikel 2.59
- Artikel 2.60
- Artikel 2.61
- Artikel 2.62
- Artikel 2.63
- Artikel 2.64
- Artikel 2.65
- Artikel 2.66
- Artikel 2.67
- Artikel 2.68
- Artikel 2.69
- Artikel 2.70
- Artikel 2.71
- Artikel 2.72
- Artikel 2.73
- Artikel 2.74
- Artikel 2.75
- Artikel 2.76
- Artikel 2.77
- Artikel 2.78
- Artikel 2.79
- Artikel 2.80
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
- Artikel 5.1
- Artikel 5.2
- Artikel 5.3
- Artikel 5.4
- Artikel 5.5
- Artikel 5.6
- Artikel 5.7
- Artikel 5.8
- Artikel 5.9
- Artikel 5.9a
- Artikel 5.10
- Artikel 5.11
- Artikel 5.12
- Artikel 5.13
- Artikel 5.14
- Artikel 5.15
- Artikel 5.16
- Artikel 5.17
- Artikel 5.18
- Artikel 5.19
- Artikel 5.20
- Artikel 5.21
- Artikel 5.22
- Artikel 5.23
- Artikel 5.24
- Artikel 5.25
- Artikel 5.26
- Artikel 5.27
- Artikel 5.28
- Artikel 5.29
- Artikel 5.30
- Artikel 5.31
- Artikel 5.32
- Artikel 5.33
- Artikel 5.34
- Artikel 5.35
- Artikel 5.36
- Artikel 5.37
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Paragraaf
Artikel 2.8
Winkelwagentjes
De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 2.9
Hinderlijke beplanting of voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2.10
Openen straatkolken e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2.11
Kelderingangen e.d.
Kelderingangen, koekoeken, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorziendoor artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.12
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de maanden april tot en met september of gedurende een door het college aangewezen periode.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.
Artikel 2.13
Aanbrengen gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 eronder verstaat.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.14
Vallende voorwerpen
Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.
Artikel 2.15
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2.16
Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.17
Objecten onder hoogspanningslijn
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Artikel 2.18
Veiligheid op het ijs
Het is verboden:
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
Een ieder is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 2.19
Begripsomschrijving
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoopvoorstellingen als bedoeld in de Wet op de filmvertoningen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.20 van deze verordening;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
verrichtingen van vermaak, voor zover die plaatsvinden in een inrichting, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet of artikel 2.26 is verleend, en niet zijnde:
vechtsportevenementen;
verrichtingen, die niet behoren tot de normale bedrijfsvoering van de inrichting en/of waarop de betreffende inrichting niet is ingericht.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
een activiteit als bedoeld in artikel 2.40 van deze verordening;
Onder evenement wordt mede verstaan:
Een herdenkingsplechtigheid;
Een braderie of snuffelmarkt;
Een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.2, op de weg;
Een feest of wedstrijd op of aan de weg.
Evenemententerrein: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te kijken en/of daaraan deel te nemen.
Organisator: de natuurlijke of rechtspersoon die een evenement in de zin van dit artikel organiseert, dan wel als eerstverantwoordelijke aan de organisatie leiding geeft.
Deelnemer: een medewerker, deelnemer, toeschouwer of bezoeker van een evenement in de zin van dit artikel.
Artikel 2.20
Vergunning evenementen
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren of te houden.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor evenementen, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
150 of minder mensen tegelijk aanwezig zijn, dan wel;
niet meer dan 500 personen deelnemen aan een wandel- en/of fietstocht die plaatsvindt bij daglicht, zonder wedstrijdelement en waarbij geen verkeersmaatregelen worden genomen;
de totale oppervlakte van de tijdelijke bouwsels en constructies, zoals een tent of een podium, 200 m2 of minder is;
het evenement duurt niet langer dan 2 dagen;
het niet nodig is om doorgaande wegen af te sluiten voor het evenement;
er een organisator is;
de organisator de burgemeester tenminste 3 weken voorafgaand aan het evenement in kennis stelt met een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier.
Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, is tijdens de duur van het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.
Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:
opgaaf gedaan van de plaats waar en de datum en het tijdstip waarop het evenement zal plaatsvinden;
opgaaf gedaan van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers;
opgaaf gedaan van de mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde en veiligheid;
opgaaf gedaan van de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden te voorkomen;
overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de locatie van het evenement en een plattegrond van de inrichting van de locatie.
overgelegd de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 8 weken voor de beoogde datum van het beoogde evenement is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.21
Voorschriften
De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden:
ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op plaats en tijdstip, technische voorzieningen en de verdere inrichting;
in het belang van de veiligheid van personen of goederen;
ter voorkoming van ernstige hinder voor deelnemers en derden op en rondom het evenemententerrein;
in het belang van de openbare orde;
in het belang van de bruikbaarheid van de weg en het doelmatig en veilig gebruik daarvan.
De burgemeester weigert de vergunning in ieder geval indien naar zijn oordeel noch door het stellen van voorschriften, noch door de zijdens de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de belangen genoemd in het eerste lid kan worden voorkomen, dan wel indien de ter handhaving van openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit een zijns inziens onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.
Het is verboden een evenement aan te kondigen, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen:
indien wordt afgeweken van de in de aanvraag, dan wel de naderhand aan de burgemeester verstrekte gegevens bedoeld in artikel 2.21;
indien wordt gehandeld in strijd met de krachtens het eerste lid door de burgemeester aan de vergunning verbonden voorschriften of;
indien voor het evenement geen vergunning is verleend.
De organisator van een evenement of degene die daarbij de feitelijke leiding heeft, is verplicht:
het evenement onverwijld te beëindigen indien daartoe door of namens de burgemeester een bevel gegeven wordt;
ervoor te zorgen dat, nadat het onder a. bedoelde bevel is gegeven, geen deelnemers meer tot het evenemententerrein worden toegelaten;
ervoor te zorgen dat de aanwijzingen van opsporingsambtenaren en brandweer stipt en onverwijld worden opgevolgd.
Het is voor deelnemers verboden aanwezig te zijn of te blijven bij een evenement ten aanzien waarvan een bevel als bedoeld in het vierde lid, onder a, is gegeven.
Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.
Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Artikel 2.22
Nadere regels
Het verbod, vervat in artikel 2.21, eerste lid, geldt niet voor het organiseren of houden van door het college bij openbaar bekend te maken besluit aangewezen categorieën evenementen, al dan niet tot een bepaald gebied beperkt, voor zover de organisator voldoet aan de door het college bij of krachtens dat besluit gestelde voorschriften, welke betrekking hebben op de in artikel 2.22, eerste lid, genoemde belangen.
Artikel 2.23
Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.