1. Indien, bij een bevel als bedoeld in artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht, storting van een waarborgsom als bijzondere voorwaarde is gesteld, vinden de artikelen 561, tweede lid, en derde lid, eerste zin en 572 overeenkomstige toepassing.

  2. Voor de storting wordt in geen geval een langere termijn gesteld dan drie maanden, te rekenen van de dag waarop het vonnis of arrest voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

  3. Teruggave van de waarborgsom geschiedt op last van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest is belast.