Spoorwegwet Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 8

Aanpassing en intrekking van andere wetten

Artikel 103

De volgende wetten worden ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld:

  1. de Spoorwegwet 1875;

  2. de wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd (Stb. 118);

  3. de wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen (Stb. 498);

  4. de wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk (Stb. 703);

  5. de wet van 26 mei 1937 tot reorganisatie van het spoorwegbedrijf (Stb. 520);

  6. de wet van 11 juni 1998, houdende wijziging van de Spoorwegwet ter implementatie van richtlijn nr. 95/18/EG en richtlijn nr. 95/19/EG (Stb. 374).

Artikel 104

Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Artikel 105

Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

← terug naar Spoorwegwet