Spoorwegwet Actueel

Inhoud

§ 4

Vergunning voor het in dienst stellen van subsystemen die deel uitmaken van hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 26h

  1. Het is verboden een nieuw subsysteem dat deel uit gaat maken van de hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen waarvoor Onze Minister geen vergunning voor indienststelling heeft verleend.

  2. Onze Minister verleent, op aanvraag, een vergunning voor indienststelling indien:

    1. voor het subsysteem een geldige EG-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI’s en nationale voorschriften die gelden op het moment dat de aanvraag wordt ingediend, tenzij voor de toepassing daarvan ontheffing is verleend overeenkomstig artikel 26f,

    2. het subsysteem technisch compatibel is met de systemen waarin het wordt geïntegreerd,

    3. het subsysteem veilig geïntegreerd wordt in die systemen, en

    4. voor zover van toepassing op het desbetreffende subsysteem, de procedures, bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel d, van de interoperabiliteitsrichtlijn zijn gevolgd.

    Een vergunning voor indienststelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning voor indienststelling kunnen voorschriften worden verbonden.

  3. De aanvraag gaat vergezeld van een dossier dat compleet is met betrekking tot de eisen, bedoeld in het tweede lid.

  4. Onze Minister kan, op aanvraag, met inachtneming van artikel 1 van de interoperabiliteitsrichtlijn ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag en verlening van een ontheffing, ter omschrijving van hoofdspoorwegen waarvoor ontheffing mogelijk is, met het oog op het veilig gebruik van die hoofdspoorwegen en over de procedures die bij verlening van een ontheffing kunnen gelden.

  5. Onze Minister kan, op aanvraag, voorafgaand aan de vergunningverlening, bedoeld in het tweede lid, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  6. De conformiteit met en naleving van de op een subsysteem als bedoeld in het eerste lid toepasselijke voorschriften wordt tijdens het gebruik ononderbroken gewaarborgd.

Artikel 26i

  1. Het is verboden een vernieuwing of verbetering van de hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen zonder dat Onze Minister een vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 26h, tweede lid, heeft verleend, tenzij Onze Minister heeft geoordeeld dat voor de vernieuwing of verbetering geen vergunning voor indienststelling vereist is.

  2. De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats:

    1. op basis van een bij Onze Minister ingediend dossier waarin het project tot verbetering of vernieuwing wordt beschreven, en

    2. met inachtneming van de krachtens artikel 26j, onderdeel d, gestelde regels.

  3. De termijnen, bedoeld in artikel 26dd, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 26j

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de interoperabiliteitsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

  1. de eisen voor subsystemen als bedoeld in artikel 26h, tweede lid,

  2. de aanvraag van een vergunning voor indienststelling en het dossier, bedoeld in artikel 26h, derde lid,

  3. het dossier waarin het project tot vernieuwing of verbetering wordt beschreven, bedoeld in artikel 26i, tweede lid, onderdeel a,

  4. beoordelingscriteria voor vernieuwingen en verbeteringen van de hoofdspoorweginfrastructuur.

← terug naar Spoorwegwet