Spoorwegwet Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 3

Het spoorwegbedrijf

Artikel 27

  1. Een spoorwegonderneming heeft op niet-discriminerende grondslag recht op toegang tot hoofdspoorweginfrastructuur voor zover dit het gebruik van spoorvoertuigen betreft en met het oog op het minimumtoegangspakket.

  2. Geen toegang tot hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in het eerste lid heeft een spoorwegonderneming:

    1. die niet beschikt over een geldige bedrijfsvergunning;

    2. die niet beschikt over een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldig veiligheidscertificaat, verleend door Onze Minister of het Europees Spoorwegbureau;

    3. die niet voldoet aan de voor haar ingevolge artikel 55 geldende verzekeringsplicht;

    4. indien het recht op die toegang niet rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst als bedoeld in artikel 59;

    5. die anderszins niet gerechtigd is van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, gebruik te maken.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur kan met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2012/34/EU onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel a, en met inachtneming van artikel 2, derde lid, of artikel 3 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel b.

  4. Een beheerder heeft in afwijking van het tweede lid, onder d, ten behoeve van de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid, als spoorwegonderneming toegang tot hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in het eerste lid zonder dat het recht rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst met dien verstande dat de beheerder, voor zover het de activiteiten, bedoeld in artikel 53 van richtlijn 2012/34/EU betreft, beschikt over verdeelde capaciteit.

  5. Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van de verplichting om te beschikken over een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldig veiligheidscertificaat als bedoeld het tweede lid, onderdeel b, voor spoorwegondernemingen die gebruik maken van dicht bij de grens gelegen hoofdspoorweginfrastructuur, indien die spoorwegondernemingen beschikken over een veiligheidscertificaat dat geldt voor met de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur verbonden, dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in de aangrenzende lidstaat. Een ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot deze ontheffingen en vrijstellingen.

  6. Een veiligheidscertificaat, verleend door een daartoe bevoegde autoriteit in een andere lidstaat, geldt ook voor de in dat veiligheidscertificaat opgenomen dicht bij de grens gelegen gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur, voor zover Onze Minister daarover door de daartoe bevoegde autoriteiten van de desbetreffende lidstaat is geraadpleegd.

Artikel 27a

  1. Een spoorwegonderneming die een passagiersvervoersdienst naar het Verenigd Koninkrijk exploiteert, voldoet aan de eisen die gelden voor de beveiliging van treinen die door de Kanaaltunnel rijden.

  2. Een spoorwegonderneming informeert Onze Minister jaarlijks over de wijze waarop zij voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.

  3. Bij ministeriële regeling worden de eisen, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld en kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een spoorwegonderneming overeenkomstig het tweede lid Onze Minister informeert.

Artikel 28

  1. Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een in Nederland gevestigde onderneming, indien deze voldoet aan de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid alsmede de uit artikel 55 voortvloeiende verzekeringsplicht.

  2. Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur omschreven soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bij de verlening van een bedrijfsvergunning een of meer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, in het eerste lid bedoelde eisen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten. Alsdan is een zodanige beperkte bedrijfsvergunning slechts geldig voor het gebruik waarvoor deze is verleend.

  3. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag.

  4. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

  5. Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag van de vergunninghouder de vergunning wijzigen, alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden en de aan de vergunning verbonden voorschriften aanvullen dan wel wijzigen.

Artikel 29

Onze Minister schorst de bedrijfsvergunning of trekt deze in, indien:

  1. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel 28 toepasselijke eisen of voorschriften;

  2. de veiligheid van het spoorverkeer door wijziging van de rechtspositie van de vergunninghouder ingeval van fusie of bedrijfsovername naar het oordeel van Onze Minister niet langer is gewaarborgd of

  3. bij herhaling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is vastgesteld dat de vergunninghouder of zijn bestuurders het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden hebben overtreden, dan wel bij onherroepelijk vonnis is vastgesteld dat deze het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden in ernstige mate hebben overtreden.

Artikel 30

  1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van richtlijn 2012/34/EU die is verleend door een bevoegde instantie van een andere lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een bedrijfsvergunning, verleend op grond van artikel 28, eerste lid.

  2. Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van artikel 28, eerste lid, worden voorts voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:

    1. de bij ministeriële regeling omschreven documenten die in het buitenland door het aldaar bevoegde gezag zijn afgegeven en die in voldoende mate kunnen gelden als bewijs dat ten minste wordt voldaan aan de in artikel 28, eerste lid, bedoelde eisen;

    2. een besluit van Onze Minister waarin ten aanzien van een in het buitenland gevestigde spoorwegonderneming is verklaard dat ten minste wordt voldaan aan de in artikel 28, eerste lid, vermelde eisen.

  3. Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling krachtens het tweede lid.

Artikel 31

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels over:

  1. de toepassing van de in artikel 28, eerste lid, bedoelde eisen;

  2. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een bedrijfsvergunning;

  3. de aan de bedrijfsvergunning te verbinden voorschriften en beperkingen.

Artikel 32

  1. Onze Minister verleent, op aanvraag, een veiligheidscertificaat aan een spoorwegonderneming met een exploitatiegebied dat de hoofdspoorweginfrastructuur, of een gedeelte daarvan, omvat, en zich beperkt tot Nederland, indien de spoorwegonderneming:

    1. een veiligheidsbeheersysteem tot stand heeft gebracht dat voldoet aan de krachtens artikel 35, onderdeel a, gestelde regels, en

    2. in staat is veilig te opereren binnen het in de aanvraag omschreven exploitatiegebied.

  2. De aanvraag gaat vergezeld van een dossier dat compleet is met betrekking tot de eisen, bedoeld in het eerste lid.

  3. Onze Minister breidt, op aanvraag van de houder van een door Onze Minister verleend veiligheidscertificaat, het exploitatiegebied met betrekking tot de hoofdspoorweginfrastructuur uit van dat veiligheidscertificaat. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op een aanvraag tot uitbreiding, met dien verstande dat de beoordeling van Onze Minister enkel betrekking heeft op de uitbreiding.

  4. Artikel 26dd, tweede tot en met zesde lid, is van toepassing op de besluiten, bedoeld in het eerste en derde lid.

  5. Een veiligheidscertificaat als bedoeld in het eerste lid geldt ook zonder uitbreiding van het exploitatiegebied voor spoorwegondernemingen die gebruik maken van dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten, indien dat volgt uit de raadpleging van de daartoe bevoegde autoriteiten in de desbetreffende lidstaten.

  6. Onze Minister verleent, op aanvraag, aan een beheerder, in afwijking van het eerste lid, een veiligheidscertificaat, indien hij beschikt over een op grond van artikel 16f verleende veiligheidsvergunning.

  7. Een beheerder gebruikt een op grond van het zesde lid verleend veiligheidscertificaat slechts ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid.

  8. Onze Minister is bevoegd om bezoeken, audits en inspecties te verrichten bij, dan wel relevante informatie te verlangen van, een spoorwegonderneming in het kader van de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in het eerste of derde lid.

  9. Onze Minister heeft de bevoegdheden, bedoeld in het achtste lid, eveneens indien het een beoordeling betreft van een bij het Europees Spoorwegbureau ingediende aanvraag van een veiligheidscertificaat of een uitbreiding daarvan.

Artikel 33

  1. Aan het veiligheidscertificaat, verleend door Onze Minister, kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de hoofdspoorweg.

  2. Onze Minister kan een door hem verleend veiligheidscertificaat beperken of intrekken indien:

    1. de certificaathouder handelt in strijd met de voorwaarden waaronder het veiligheidscertificaat is verleend of uitgebreid, alsmede de aan het veiligheidscertificaat verbonden beperkingen en voorschriften, of

    2. de bedrijfsvergunning van de certificaathouder is geschorst of ingetrokken.

  3. Onze Minister kan het door hem verleende veiligheidscertificaat of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen, met inachtneming van het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de hoofdspoorweg.

  4. Onze Minister neemt het besluit, bedoeld in het tweede en derde lid, uiterlijk vier maanden nadat hij heeft vastgesteld dat de omstandigheid, genoemd in het tweede en derde lid, zich heeft voorgedaan, en beslist, indien een aanvraag als bedoeld in het derde lid is gedaan, in afwijking van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht bij verlenging van de beslistermijn op de aanvraag, in ieder geval uiterlijk vier maanden nadat alle in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde informatie is verschaft.

Artikel 33a

  1. Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding bij het Europees Spoorwegbureau van een of meer beoordelingsinstanties die voldoen aan de in artikel 35, onder f, gestelde regels.

  2. Een besluit tot aanmelding kan onder beperkingen geschieden. Aan een aanmelding kunnen voorschriften worden verbonden.

  3. Een aangemelde beoordelingsinstantie is bevoegd om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van interoperabiliteitsonderdelen, subsystemen, spoorvoertuigen en andere producten, bestemd om deel uit te maken van het spoorwegsysteem, voor zover die conformiteitsbeoordelingen betrekking hebben op uitvoeringsverordening (EU) 402/2013.

  4. Onze Minister kan bij ministeriële regeling de nationale accreditatie-instantie aanwijzen om de aanvragen, bedoeld in het eerste lid, te beoordelen en om controles uit te voeren op de aangemelde beoordelingsinstanties.

  5. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op beoordelingsinstanties die op grond van het eerste lid zijn aangemeld.

Artikel 34

  1. Onze Minister kan bij constatering van een ernstig veiligheidsrisico onmiddellijk tijdelijke veiligheidsmaatregelen nemen ten aanzien van de bij het ernstige veiligheidsrisico betrokken actoren, waaronder het onmiddellijk opschorten of beperken van de betrokken activiteiten van die actoren.

  2. Onze Minister schort door hem genomen tijdelijke veiligheidsmaatregelen ten aanzien van een spoorwegonderneming met een door het Europees Spoorwegbureau verleend veiligheidscertificaat op, indien het resultaat van een arbitrageprocedure als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn is dat het desbetreffende veiligheidscertificaat niet wordt beperkt of ingetrokken.

Artikel 35

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van het bij of krachtens de spoorwegveiligheidsrichtlijn bepaalde met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

  1. het veiligheidsbeheersysteem, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a,

  2. de aanvraag en het bijbehorende dossier, bedoeld in artikel 32, tweede lid,

  3. de verlening, weigering, wijziging, uitbreiding, geldigheid, schorsing of intrekking van een veiligheidscertificaat,

  4. de gevallen waarin en voorwaarden waaronder een veiligheidscertificaat ook geldt voor dicht bij de grens gelegen spoorweginfrastructuur in aangrenzende lidstaten, bedoeld in artikel 32, vijfde lid, alsmede de daarvoor toe te passen procedure,

  5. door Onze Minister te stellen voorschriften en beperkingen, alsmede het nemen van maatregelen als bedoeld in de artikelen 33 en 34,

  6. de eisen die gesteld worden aan een beoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 33a.

Artikel 36

  1. Voordat een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur wordt gebruikt, is er een met het onderhoud belaste entiteit voor dat spoorvoertuig. De met het onderhoud belaste entiteit zorgt dat het desbetreffende spoorvoertuig in veilige staat is en past daartoe een onderhoudssysteem toe dat voldoet aan de krachtens artikel 38, eerste lid, onderdeel a, gestelde regels.

  2. Onze Minister kan het gebruik met een spoorvoertuig van hoofdspoorweginfrastructuur verbieden indien ten aanzien van dat spoorvoertuig niet wordt voldaan aan het eerste lid.

  3. De met het onderhoud belaste entiteit van een of meer goederenwagons beschikt over een geldig ECM-certificaat, verleend door Onze Minister of een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat.

  4. Onze Minister verleent, op aanvraag, een ECM-certificaat aan een met het onderhoud belaste entiteit die voldoet aan de krachtens artikel 38, eerste lid, onderdeel b, gestelde regels.

  5. De verplichting te beschikken over een ECM-certificaat geldt niet voor spoorwegondernemingen of beheerders die de met het onderhoud belaste entiteit zijn van een of meer goederenwagons, mits de beoordeling van de voor het ECM-certificaat geldende eisen reeds bij de verlening van het veiligheidscertificaat, dan wel de veiligheidsvergunning, heeft plaatsgevonden.

  6. Onze Minister verleent, op aanvraag, een certificaat aan een rechtspersoon die in staat is een gedeelte van het onderhoudssysteem, bedoeld in het eerste lid, uit te voeren, en voldoet aan de krachtens artikel 38, eerste lid, onderdeel d, gestelde regels.

Artikel 38

  1. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van de spoorwegveiligheidsrichtlijn met betrekking tot de onderwerpen in deze paragraaf regels worden gesteld, waaronder in elk geval regels over:

    1. het onderhoudssysteem, bedoeld in artikel 36, eerste lid,

    2. de eisen voor het verkrijgen van een ECM-certificaat als bedoeld in artikel 36, vierde lid,

    3. het uitbesteden van onderhoudstaken door met het onderhoud belaste entiteiten,

    4. de eisen voor het verkrijgen van een certificaat als bedoeld in artikel 36, zesde lid,

    5. de eisen, bedoeld in artikel 37, tweede lid.

  2. Bij ministeriële regeling kan in het belang van een goede uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking van de Europese Commissie, gebaseerd op de spoorwegveiligheidsrichtlijn:

    1. de verplichting te beschikken over een ECM-certificaat, bedoeld in artikel 36, derde lid, worden uitgebreid tot met het onderhoud belaste entiteiten van andere spoorvoertuigen dan goederenwagons,

    2. het beschikken over een certificaat als bedoeld in artikel 36, zesde lid, verplicht worden gesteld voor rechtspersonen die delen van het onderhoudssysteem uitvoeren op basis van een daartoe strekkende overeenkomst met een met het onderhoud belaste entiteit.

  3. Bij ministeriële regeling kunnen met inachtneming van de artikelen 2 en 15 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn spoorvoertuigen worden aangewezen waarop artikel 36, eerste lid, of 37, eerste lid, niet of niet geheel van toepassing zijn en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het onderhoud van die spoorvoertuigen.

Artikel 49

  1. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:

    1. minimumleeftijd;

    2. medische en psychologische geschiktheid;

    3. algemene kennis, bekwaamheid en ervaring, en

    4. taalbeheersing.

  2. Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:

    1. minimumleeftijd;

    2. medische en psychologische geschiktheid;

    3. algemene kennis en vaardigheden;

    4. specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop een bevoegdheidsbewijs betrekking kan hebben, en

    5. taalbeheersing.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de in het eerste lid en tweede lid bedoelde eisen wordt voldaan.

Artikel 50

  1. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, over:

    1. één of meer beoordelingen door Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, eerste lid, voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis, bekwaamheid en ervaring en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of

    2. een geldige erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

  2. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt over:

    1. één of meer beoordelingen van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of

    2. een geldige machinistenvergunning die in een andere lidstaat van de Europese Unie is afgegeven.

  3. Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent beschikt over een geldige machinistenvergunning en een geldig bevoegdheidsbewijs dat betrekking heeft op de spoorvoertuigen waarmee en op de hoofdspoorweginfrastructuur waarvan gebruik wordt gemaakt.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aanvraag, afgifte en geldigheid van de in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, onderdeel a, bedoelde beoordelingen, verklaringen van medische en psychologische geschiktheid alsmede over de erkenningen van keuringsinstituten.

Artikel 51

  1. Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij algemene maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene die de betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in artikel 50, eerste lid, bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een bedrijfspas.

  2. De bedrijfspas voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.

  3. Het eerste lid geldt niet voor een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent en aan wie degene onder wiens gezag die veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend een bevoegdheidsbewijs heeft verstrekt.

  4. De houder van een bedrijfspas en de houder van een bevoegdheidsbewijs als bedoeld in het derde lid zijn verplicht die pas onderscheidenlijk dat bewijs op eerste vordering te tonen aan de krachtens de artikelen 69 en 86 met het toezicht op de naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

    1. de voor de uitoefening van veiligheidsfuncties vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid;

    2. de geldigheidsduur van bedrijfspassen.

Artikel 51a

  1. Onze Minister verleent op aanvraag een machinistenvergunning indien de machinist:

    1. voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake minimumleeftijd;

    2. beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, en

    3. beschikt over een geldige beoordeling van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid respectievelijk van machinist met beperkte bevoegdheid.

  2. Onze Minister schorst of trekt de machinistenvergunning in, indien de machinist niet langer beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid of een geldige verklaring van psychologische geschiktheid.

  3. Onze Minister houdt een register van machinistenvergunningen.

  4. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend, verstrekt aan een machinist een bevoegdheidsbewijs indien deze:

    1. voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;

    2. beschikt over een geldige beoordeling van degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie, bedoeld in de aanhef, wordt uitgeoefend waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake specifieke vakkennis van de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking moet hebben, en

    3. beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.

  5. Degene die een of meer bevoegdheidsbewijzen heeft verstrekt houdt een register van bevoegdheidsbewijzen.

  6. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend onderzoekt periodiek of de machinist voldoet aan:

    1. de voor die veiligheidsfunctie krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;

    2. de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake de specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking heeft, en

    3. aan de voor die veiligheidsfunctie vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.

  7. Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist wordt uitgeoefend verstrekt bij de beëindiging van het dienstverband van de machinist een gewaarmerkte kopie van het op dat moment geldige bevoegdheidsbewijs.

  8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor:

    1. de aanvraag, verlening, geldigheidsduur en verlenging van een machinistenvergunning;

    2. de verstrekking van een duplicaat van een machinistenvergunning;

    3. het register van machinistenvergunningen, bedoeld in het derde lid;

    4. de vorm, inhoud en geldigheidsduur van een bevoegdheidsbewijs en de verstrekking van een gewaarmerkte kopie daarvan;

    5. het register van bevoegdheidsbewijzen, bedoeld in vijfde lid;

    6. de frequentie van het onderzoek, bedoeld in het zesde lid;

    7. de verplichtingen van degene die de bevoegdheidsbewijzen heeft verstrekt, en

    8. de voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid en van machinist met beperkte bevoegdheid vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.

Artikel 51b

  1. Opleidingactiviteiten met het oog op het verkrijgen van een of meer beoordelingen waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur worden slechts verricht door daartoe door Onze Minister erkende opleidingsinstituten.

  2. Een krachtens het eerste lid, erkend opleidingsinstituut geeft op billijke en non-discriminatoire wijze toegang tot de opleidingsactiviteiten, bedoeld in het eerste lid.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met inachtneming van artikel 20 van richtlijn 2007/59/EG regels gegeven voor de erkenning van de opleidingsinstituten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 51c

  1. Bij de beoordelingen, bedoeld in de artikelen 50, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, en 51a, vierde lid, onderdeel b, maakt Onze Minister onderscheidenlijk degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegsysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend, gebruik van door Onze Minister erkende examinatoren.

  2. Onze Minister houdt een register van erkende examinatoren.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de aanvraag, afgifte en geldigheid van de erkenning van examinatoren.

Artikel 52

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met het oog op de veiligheid, regels worden gesteld over de bedrijfsvoering en de organisatiestructuur van degene die personen met een veiligheidsfunctie binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem beschikbaar stelt.

Artikel 53

  1. Het is verboden een veiligheidsfunctie anders dan van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid, binnen het hoofdspoorwegsysteem te doen uitoefenen door een persoon:

    1. die niet voldoet aan artikel 50, eerste lid, of

    2. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie krachtens artikel 49, eerste lid, gestelde eisen.

  2. Het is verboden de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid binnen het hoofdspoorwegsysteem te doen uitoefenen door een persoon:

    1. die niet voldoet aan artikel 50, tweede lid, of

    2. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie krachtens artikel 49, tweede lid, gestelde eisen.

  3. Het is verboden de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid te doen uitoefenen door een persoon:

    1. die niet beschikt over een geldige machinistenvergunning;

    2. die niet beschikt over een geldig bevoegdheidsbewijs, of

    3. die niet beschikt over een bevoegdheidsbewijs dat betrekking heeft op de spoorvoertuigen waarmee en op de hoofdspoorweginfrastructuur waarvan gebruik wordt gemaakt.

  4. Onze Minister kan het doen uitoefenen van de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid binnen het hoofdspoorwegsysteem door een persoon die volgens hem een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van dat systeem, overeenkomstig artikel 29 van richtlijn 2007/59/EG, voor bepaalde of onbepaalde tijd verbieden.

Artikel 54

Degene onder wiens gezag een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een functie, niet zijnde een veiligheidsfunctie, uitoefent die van invloed kan zijn op de veiligheid van het verkeer over hoofdspoorwegen, draagt er zorg voor dat die persoon daartoe geschikt is en de nodige kennis en bekwaamheid bezit.

Artikel 54a

Onze Minister kan, met inachtneming van artikel 2, derde lid, van richtlijn 2007/59/EG, ontheffing of vrijstelling verlenen van bepalingen van paragraaf 5 van dit hoofdstuk. De ontheffing of vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over op welke hoofdspoorwegen en voor welke spoorvoertuigen deze ontheffing of vrijstelling mogelijk is.

Artikel 55

  1. De spoorwegonderneming die van de hoofdspoorweginfrastructuur gebruik maakt, is verplicht ter zake van dat gebruik een verzekering te sluiten en in stand te houden, waarmee haar uit wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico's voldoende zijn gedekt.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt. Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade, de grond van de aansprakelijkheid en de aard van de onderneming.

  3. Artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is van overeenkomstige toepassing.

← terug naar Spoorwegwet