Spoorwegwet Actueel

Inhoud

§ 3

Bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 76

  1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in het tweede lid.

  2. In geval van overtreding van het bepaalde krachtens artikel 17, eerste lid, onderdeel d, en derde lid of het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16a tot en met 16e27, eerste lid, 56, 57 tot en met 62, eerste tot en met achtste lid, 63, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, 67, 68, eerste tot en met derde lid, 68a, 68c, 70, zevende tot en met negende lid, kan de Autoriteit Consument en Markt de overtreder:

    1. een bestuurlijke boete opleggen;

    2. een last onder dwangsom opleggen.

  3. Op het tweede lid is artikel 57, eerste en vierde lid, van de Mededingingswet van toepassing.

Artikel 77

  1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 26a, eerste, tweede en vierde lid, 26c, 26ca, derde lid, 26k, eerste lid, 26q, eerste en tweede lid, 26r, vierde lid, 26s, tiende lid, 26y, 26aa, derde lid, laatste volzin, en vijfde lid, 51, vierde lid, 53, 65, tweede lid, 74a, 96, tweede lid, en 96a, alsmede ter zake van de overtreding van de krachtens de hoofdstukken 1, 2, 2a en de artikelen 35, 64, tweede lid, 65, eerste lid, 81, tweede lid, en hoofdstuk 6, paragraaf 9 vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als beboetbaar feit is aangemerkt.

  2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

  3. Een overtreding die krachtens het eerste lid als beboetbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als strafbaar feit krachtens artikel 87, eerste lid, aangemerkt.

Artikel 80

  1. De bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding als bedoeld in artikel 77, eerste lid, kan worden opgelegd, is indien begaan door:

    1. een natuurlijke persoon, niet zijnde een onderneming, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 5.700,–;

    2. een onderneming, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 225.000,–.

  2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt in ieder geval afgestemd op de omzet van een onderneming indien de overtreder een onderneming is.

  3. Onverminderd het eerste lid en tweede lid kan de op te leggen bestuurlijke boete met 50% worden verhoogd, indien op de dag van het constateren van de overtreding nog geen 24 maanden zijn verstreken nadat een eerdere overtreding bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.

  4. Indien de gegevens omtrent de omzet van een onderneming, bedoeld in het tweede lid, niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de bestuurlijke boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is de hoogte van de boete gelijk aan het maximale boetebedrag, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  5. De in het eerste lid genoemde bedragen kunnen elke twee jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd ten gevolge van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige wijziging van deze bedragen. Bij deze wijziging wordt het geldbedrag op een veelvoud van € 5,– naar beneden afgerond.

  6. Onze Minister stelt een beleidsregel vast voor de toepassing van dit artikel.

← terug naar Spoorwegwet