Omgevingsbesluit Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 5

Projectprocedure

Artikel 5.1

  1. Als Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 5.44b van de wet overdraagt, geeft hij tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze en doet hij mededeling van dat besluit door toezending daarvan aan de initiatiefnemer.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.

Artikel 5.2

  1. Het voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving bevat in ieder geval:

    1. een beschrijving van die opgave;

    2. een beschrijving van de wijze waarop de verkenning zal worden uitgevoerd;

    3. de termijn waarbinnen de verkenning zal worden uitgevoerd; en

    4. een vermelding van het bevoegd gezag.

  2. Het bevoegd gezag geeft kennis van het voornemen op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.

Artikel 5.3

  1. In de kennisgeving van de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zullen worden betrokken, bedoeld in artikel 5.47, vierde lid, van de wet, wordt in ieder geval aangegeven:

    1. wie worden betrokken;

    2. waarover zij worden betrokken;

    3. wanneer zij worden betrokken;

    4. wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer bij het betrekken van deze partijen; en

    5. waar aanvullende informatie beschikbaar is.

  2. De kennisgeving vindt plaats op een door het bevoegd gezag te bepalen geschikte wijze, waardoor het voor de te verkennen opgave in de fysieke leefomgeving relevante publiek zo goed mogelijk wordt bereikt.

  3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de benodigde informatie voor het betrekken van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen op een toegankelijke wijze beschikbaar is. Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat neemt in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter voorbereiding van een projectbesluit voor werken met een nationaal belang in ieder geval een voorkeursbeslissing als de mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving die is opgenomen in het voornemen of de daarin genoemde mogelijke oplossing voor die opgave, geheel of gedeeltelijk ziet op:

  1. de aanleg van een autoweg of autosnelweg, spoorweg of vaarweg;

  2. de uitbreiding van een weg met meer dan twee rijstroken, als het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt; of

  3. de uitbreiding van een spoorweg met meer dan twee sporen, als het uit te breiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt.

Artikel 5.5

  1. Een voorkeursbeslissing vermeldt in ieder geval welke oplossing de voorkeur van het bevoegd gezag heeft.

  2. In een voorkeursbeslissing wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde verkenning, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de door derden voorgedragen mogelijke oplossingen en de daarover door deskundigen uitgebrachte adviezen.

Artikel 5.5a

  1. Bij de voorbereiding van een projectbesluit van een bestuursorgaan van een waterschap, een provincie of het Rijk waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt van het ontwerp mededeling gedaan in het waterschapsblad, het provinciaal blad respectievelijk de Staatscourant.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als het ontwerp van een projectbesluit voor de inwerkingtreding van dit besluit ter inzage is gelegd.

Artikel 5.6

Onverminderd artikel 5.51 van de wet bevat een projectbesluit in ieder geval:

  1. een beschrijving van het project;

  2. de voor de fysieke leefomgeving relevante permanente of tijdelijke maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren; en

  3. de maatregelen die zijn gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van het project of van het in werking hebben of in stand houden daarvan voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 5.7

  1. In een projectbesluit kan worden bepaald dat het projectbesluit geldt als:

    1. een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, 2.13a, eerste lid, of 2.15, tweede lid, van de wet;

    2. een maatwerkvoorschrift op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3 van de wet;

    3. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 voor zover het gaat om de uitvoering van het projectbesluit; en

    4. een onttrekking van een weg aan de openbaarheid als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder II, van de Wegenwet.

  2. Als het projectbesluit geldt als een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, 2.13a, eerste lid, of 2.15, tweede lid, van de wet, is afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing.

  3. Als het projectbesluit geldt als een maatwerkvoorschrift, is paragraaf 4.3.2 van de wet van overeenkomstige toepassing.

  4. Als het projectbesluit geldt als een verkeersbesluit, zijn de artikelen 16, eerste lid, en 152 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 12 tot en met 15, 18 en 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer van toepassing.

  5. Als het projectbesluit geldt als een onttrekking van een weg aan de openbaarheid, zijn de artikelen 4 tot en met 7 van de Wegenwet van toepassing.

Artikel 5.7a

Onverminderd artikel 5.54 van de wet wordt aan artikel 5.7, eerste lid, onder a, in ieder geval toepassing gegeven als een projectbesluit:

  1. een activiteit toelaat op een industrieterrein waarvoor op grond van artikel 2.12a van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en door het geluid door die activiteit niet aan die plafonds kan worden voldaan;

  2. ziet op de aanleg van een weg of spoorweg waarvoor op grond van artikel 2.13a of 2.15, tweede lid, van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden worden vastgesteld; of

  3. ziet op een wijziging van een weg of spoorweg waarvoor op grond van artikel 2.13a of 2.15, tweede lid, van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en na die wijziging niet aan die plafonds kan worden voldaan.

Artikel 5.7b

Artikel 4.31 is niet van overeenkomstige toepassing op een ontwerp van een projectbesluit en een voorgenomen projectbesluit voor een project als bedoeld in artikel 5.46, eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, van de wet, voor zover daarin wordt bepaald dat het geldt als een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.

Artikel 5.8

  1. Het bestuursorgaan dat op grond van de wet, de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenwet bevoegd zou zijn om de besluiten, bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, te nemen, is adviseur voor dat onderdeel van het projectbesluit.

  2. Het in het eerste lid bedoelde onderdeel van het projectbesluit behoeft ook instemming van het adviserende bestuursorgaan, waarbij geen instemming is vereist als:

    1. het projectbesluit wordt vastgesteld door Onze Minister die het aangaat als bedoeld in artikel 5.44 van de wet; of

    2. het projectbesluit wordt vastgesteld door gedeputeerde staten en het projectbesluit geldt als besluit waarvoor een ander bestuursorgaan, met uitzondering van een bestuursorgaan van het Rijk, het adviserende bestuursorgaan is.

  3. Instemming wordt alleen onthouden op dezelfde gronden als die, waarop een aanvraag om een besluit kan worden afgewezen.

← terug naar Omgevingsbesluit