Omgevingsbesluit Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 13

Handhaving en uitvoering

Artikel 13.1

  1. De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in de volgende gevallen niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het hierna genoemde bestuursorgaan:

    1. het dagelijks bestuur van het waterschap: bij een door hem vastgesteld peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de wet;

    2. gedeputeerde staten:

      1. bij een zwemverbod als bedoeld in artikel 2.38 van de wet;

      2. bij een door hen ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet;

      3. bij een bij omgevingsverordening gestelde verplichting tot monitoring als bedoeld in artikel 20.1 van de wet of gegevensverzameling als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan;

      4. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en, voor zover toepassing is gegeven aan artikel 2.12a van de wet, artikel 3.45, tweede lid, aanhef onder a, van dat besluit; en

      5. de verplichting tot het verstrekken van gegevens, bedoeld in artikel 18.25a, eerste lid, van de wet;

    3. de commissaris van de Koning: bij een tijdelijke regel als bedoeld in artikel 19.12, eerste lid, van de wet;

    4. Onze Minister voor Klimaat en Energie: bij de verplichting tot het openbaar maken van de gegevens, bedoeld in paragraaf 5.4.1a van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    5. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

      1. bij een toegangsverbod als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de wet;

      2. bij een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, tweede lid, van de wet;

      3. bij een activiteit die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de territoriale zee, voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, of die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de exclusieve economische zone;

      4. bij de zorgplicht voor de akoestische kwaliteit van op grond van artikel 2.15, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de wet bij ministeriële regeling aangewezen rijkswegen en hoofdspoorwegen, bedoeld in artikel 3.29 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

      5. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

    6. Onze Minister van Financiën: bij het onthouden van toestemming tot vertrek van een vaartuig of luchtvaartuig uit Nederland als bedoeld in artikel 18.8 van de wet;

    7. Onze Minister voor Natuur en Stikstof:

      1. bij een door hem ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet;

      2. bij het verbod tot het verrichten van activiteiten binnen de afpalingskring van een eendenkooi, bedoeld in artikel 8.5 van de wet; en

      3. bij een door hem genomen besluit over maatregelen voor dieren, eieren, planten, hout of producten daarvan als bedoeld in artikel 18.16a, tweede lid, van de wet of een daaraan verbonden voorschrift als bedoeld in artikel 18.16b, eerste lid, van de wet;

    8. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: bij een verplichting in verband met een archeologische toevalsvondst van algemeen belang opgelegd krachtens de artikelen 19.8, tweede of derde lid, en 19.9 van de wet, in verbinding met artikel 19.3, tweede lid, of 19.4, eerste en tweede lid, van de wet; en

    9. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: bij een regel over het energielabel, gesteld in afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of bij ministeriële regeling.

  2. De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in de volgende gevallen evenmin bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het hierna aangegeven bestuursorgaan, voor zover dat een ander bestuursorgaan is dan het college van burgemeester en wethouders:

    1. het bestuursorgaan dat op grond van paragraaf 2.4.1 van de wet bevoegdheden of taken toebedeeld heeft gekregen met betrekking tot een specifiek aspect van de fysieke leefomgeving: bij een activiteit die in strijd is met de zorgplicht, bedoeld in de artikelen 1.6 en 1.7 van de wet, of met het verbod, bedoeld in artikel 1.7a van de wet, voor zover het gaat om het specifieke aspect van de fysieke leefomgeving;

    2. het dagelijks bestuur van een ander openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de wet: bij een door hem vastgesteld peilbesluit als bedoeld in dat artikellid;

    3. het bestuursorgaan dat een projectbesluit heeft vastgesteld: bij een projectbesluit, voor zover dat besluit geldt als:

      1. een maatwerkvoorschrift op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3 van de wet; of

      2. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het gaat om de uitvoering van het projectbesluit;

    4. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 19.2, eerste lid, van de wet: bij een verplichting in verband met een ongewoon voorval opgelegd krachtens artikel 19.3, tweede lid, of 19.4, eerste en tweede lid, van de wet;

    5. het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving: bij een in hoofdstuk 4 of 5 van dat besluit gestelde verplichting tot monitoring als bedoeld in artikel 20.1 van de wet of gegevensverzameling als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan;

    6. het bestuursorgaan waaraan op grond van afdeling 10.8 gegevens worden verstrekt: bij een in die afdeling gestelde verplichting tot gegevensverstrekking als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan; en

    7. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een experiment als bedoeld in artikel 23.3, eerste lid, van de wet: bij een aanwijzing tot het treffen van een maatregel als bedoeld in artikel 23.3, zesde lid, van de wet.

Artikel 13.2

De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in geval van de volgende gedoogplichten uit hoofdstuk 10 van de wet bij:

  1. gedeputeerde staten: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.10 van de wet;

  2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

    1. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet;

    2. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet;

  3. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een gedoogplicht:

    1. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet;

    2. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en

    3. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet;

  4. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste tot en met vierde lid, van de Wet milieubeheer: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de wet;

  5. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, derde lid, van de wet;

  6. het bevoegd gezag voor een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.9 van de wet; en

  7. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een gedoogplicht:

    1. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet;

    2. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;

    3. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en

    4. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.

Artikel 13.3

  1. Voor zover het gaat om de naleving van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een activiteit, berust in de volgende gevallen de bestuursrechtelijke handhavingstaak ook bij het bestuursorgaan dat op grond van afdeling 4.2 heeft beslist over instemming met de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor die activiteit, of dat op grond van artikel 4.37 van dit besluit of artikel 16.16, vierde lid, van de wet heeft bepaald dat instemming niet is vereist:

    1. het dagelijks bestuur van het waterschap: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.24, eerste lid, onder a, b of c;

    2. gedeputeerde staten:

      1. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, onder a, b, d, e of f, voor zover bij dat laatste onderdeel de activiteit betrekking heeft op een watersysteem dat of een weg die in beheer is bij de provincie; en

      2. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven;

    3. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid;

    4. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat:

      1. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid; en

      2. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29, tweede lid;

    5. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

      1. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, onder a, b, c, voor zover het bij dat laatste onderdeel gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk of een hoofdspoorweg, of d; en

      2. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in een rijkswater, anders dan in het winterbed van een rivier, waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven;

    6. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30a, eerste lid;

    7. Onze Minister voor Natuur en Stikstof: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.31, eerste lid; en

    8. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, onder a.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.16 bevoegd gezag zijn, tenzij het gaat om een geval als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, onder 1°.

  3. Als in een projectbesluit uitdrukkelijk is bepaald dat het besluit geldt als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.52, tweede lid, onder a, van de wet en daarbij op grond van artikel 16.20, eerste lid, van de wet geen instemming is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak voor de betrokken activiteit, voor zover het gaat om de naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning voor die activiteit, in de in het eerste lid, onder a, b en h, bedoelde gevallen ook bij het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten, respectievelijk Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 13.3a0

  1. De bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving bij het verrichten van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in de artikelen 3.184, 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218 en 3.250 van dat besluit, ook bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en bij Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  2. De bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij een milieubelastende activiteit of een lozingsactiviteit als bedoeld in artikel 3.48m, 3.48o of 3.48r van het Besluit activiteiten leefomgeving ook bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover het bij die activiteit gaat om het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 4.1258, tweede lid, onder a, 4.1267, eerste lid, onder a, en 4.1283, eerste lid, onder a, van dat besluit.

Artikel 13.3a

  1. Als regels als bedoeld in artikel 18.15a, eerste lid, van de wet bij overtreding waarvan Onze Minister voor Natuur en Stikstof een bestuurlijke boete kan opleggen worden aangewezen:

    1. artikel 11.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het de volgende handelingen betreft:

      1. het binnenbrengen in de Europese Unie van een specimen in strijd met artikel 4, derde en vierde lid, van de cites-basisverordening;

      2. handelen in strijd met een voorwaarde of vereiste, verbonden aan een vergunning of certificaat op grond van artikel 11, derde lid, van de cites-basisverordening, voor zover de voorwaarde of het vereiste ziet op de administratie, de verstrekking van gegevens of het merken van dieren, planten of eieren; en

      3. handelen in strijd met de artikelen 33, eerste lid, onder c, en 40, eerste lid, onder d, van de cites-uitvoeringsverordening; en

    2. de artikelen 11.103 en 11.104 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 50% van het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de op grond van 7.6, tweede lid, vast te stellen bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ten tijde van het begaan van de overtreding nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor een overtreding, behorende tot eenzelfde categorie van gedragingen als bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden.

Artikel 13.4

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van werkzaamheden voor de uitoefening van bevoegdheden door het bevoegd gezag in het kader van de uitvoeringstaak, bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, van de wet, en de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet.

Artikel 13.5

  1. De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoerings- en handhavingstaak stellen een uitvoerings- en handhavingsstrategie vast in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen worden gesteld voor de uitvoering en handhaving en welke werkzaamheden met het oog op die doelen zullen worden verricht.

  2. De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid.

  3. De handhavingsstrategie wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving.

  4. De handhavingsstrategie wordt gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen bij de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

Artikel 13.6

  1. De uitvoerings- en handhavingsstrategie biedt in ieder geval inzicht in:

    1. de prioriteitenstelling voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid;

    2. de methode die wordt gebruikt om te bepalen of de doelen, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, worden bereikt;

    3. de criteria die worden gebruikt bij het beoordelen van en beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen en het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet; en

    4. de werkwijze bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet.

  2. De handhavingsstrategie biedt ook inzicht in:

    1. de afspraken die door bestuursorganen onderling en met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt over samenwerking bij en afstemming van werkzaamheden;

    2. de wijze waarop toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt gehouden;

    3. de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en eventueel daaraan verbonden consequenties;

    4. de wijze waarop bestuurlijke sancties en termijnen die bij het opleggen en ten uitvoer leggen daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd; en

    5. de wijze waarop wordt gehandeld na geconstateerde overtredingen die zijn begaan door of in naam van een bestuursorgaan of een andere tot de overheid behorende instantie.

Artikel 13.7

  1. Tot de wijze waarop toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt gehouden, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, onder b, behoort in ieder geval:

    1. de wijze waarop toezicht wordt voorbereid, uitgaande van een register waarin in ieder geval ippc-installaties zijn opgenomen;

    2. de frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden, waarbij die frequentie voor ippc-installaties, afhankelijk van de milieurisico’s, het nalevingsgedrag en de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsysteem, ten minste is:

      1. eenmaal per drie jaar bij beperkte milieurisico’s; en

      2. eenmaal per jaar bij grote milieurisico’s; en

    3. de termijn waarbinnen na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding niet-routinematig toezicht wordt gehouden, waarbij die termijn voor ippc-installaties is:

      1. na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding: zo spoedig mogelijk en in voorkomend geval voor de verlening of wijziging van een omgevingsvergunning; of

      2. na het vaststellen van een ernstige overtreding: in ieder geval binnen zes maanden.

  2. Tot de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en eventueel daaraan verbonden consequenties, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, onder c, behoort in ieder geval:

    1. de termijn waarbinnen een rapportage wordt gedeeld met betrokkenen, waarbij die termijn voor rapportage met betrekking tot ippc-installaties twee maanden is; en

    2. de termijn waarbinnen en mate waarin een rapportage openbaar wordt gemaakt, waarbij die termijn voor rapportage met betrekking tot ippc-installaties vier maanden is en de artikelen 19.3 tot en met 19.5 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel 13.8

  1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, werken jaarlijks de uitvoerings- en handhavingsstrategie uit in een uitvoeringsprogramma, waarin wordt aangegeven welke van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, het komende jaar zullen worden verricht. Daarbij houden ze rekening met de doelen, bedoeld in dat lid, en de prioriteitenstelling, bedoeld in artikel 13.6, eerste lid, onder a.

  2. Het uitvoeringsprogramma wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving.

Artikel 13.9

  1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, richten hun organisatie zodanig in dat een goede uitvoering van de uitvoerings- en handhavingsstrategie en het uitvoeringsprogramma is gewaarborgd.

  2. De bestuursorganen dragen er in ieder geval zorg voor dat:

    1. de personeelsformatie voor de uitvoering en handhaving en de bij de functies behorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden vastgelegd;

    2. een persoon die door hen is belast met het beoordelen van en beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, het beoordelen van en beslissen op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel of het stellen van een maatwerkvoorschrift ten aanzien van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet wordt belast met:

      1. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteit; en

      2. het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteit;

    3. een door hen met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet belaste persoon niet voortdurend wordt belast met het toezicht op dezelfde milieubelastende activiteit; en

    4. de bereikbaarheid en beschikbaarheid van hun organisatie ook buiten kantooruren is gegarandeerd.

  3. De bestuursorganen dragen er ook zorg voor dat de werkprocessen, procedures en bijbehorende informatievoorziening voor de uitvoering en handhaving worden vastgelegd en dat werkzaamheden worden verricht volgens deze werkprocessen en procedures.

Artikel 13.10

De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, dragen er zorg voor dat:

  1. de voor het bereiken van de doelen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in dat lid, benodigde en beschikbare financiële en personele middelen inzichtelijk worden gemaakt en in de begroting worden gewaarborgd; en

  2. voor de uitvoering van het uitvoeringsprogramma voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn.

Artikel 13.11

  1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, rapporteren jaarlijks over de mate waarin uitvoering van het uitvoeringsprogramma heeft plaatsgevonden en de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel.

  2. Naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde rapportage wordt de uitvoerings- en handhavingsstrategie bezien en zo nodig aangepast.

Artikel 13.12

  1. Het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat in ieder geval de volgende werkzaamheden, voor zover tot hun taak behorend, en voor zover deze regels zijn gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 2.2, 18.3 of 19.1b van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om milieubelastende activiteiten, of artikel 3.2, 4.2, 5.2, 6.2 of 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, als het gaat om bouwactiviteiten of sloopactiviteiten, door een omgevingsdienst worden verricht:

    1. het voorbereiden van beslissingen op aanvragen om omgevingsvergunningen en het voorbereiden van het toepassen van paragraaf 5.1.5 van de wet, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 4, met uitzondering van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten;

    2. het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet, en het voorbereiden van beschikkingen op aanvragen om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 en 5;

    3. het voorbereiden van beschikkingen tot het stellen van maatwerkvoorschriften, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 en 5;

    4. het houden van toezicht op de naleving van:

      1. de verboden, bedoeld in de artikelen 5.1, 5.4, 5.5 en 5.6 van de wet, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 4; en

      2. de regels gesteld bij of krachtens de wet en de Wet milieubeheer, over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 6 en 8;

    5. ketentoezicht op de regels over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 7; en

    6. het voorbereiden van bestuurlijke sancties ter handhaving van de verboden en regels, bedoeld onder d en e.

  2. Tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, behoort niet de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  3. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden voor de activiteiten, bedoeld in artikel 18.22, tweede lid, van de wet, alleen door de in bijlage VII aangewezen omgevingsdiensten uitgevoerd.

  4. Een naamswijziging van een in bijlage VII aangewezen omgevingsdienst gaat voor de toepassing van dit besluit gelden nadat een daarover genomen besluit bekend is gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 13.13

Aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in artikel 18.25, eerste lid, van de wet, is in ieder geval voldaan als Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Justitie en Veiligheid en het algemeen bestuur van de omgevingsdiensten de gegevens die zij beheren in verband met het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid, via het beveiligde digitale systeem voor informatie-uitwisseling, Inspectieview Milieu, raadpleegbaar maken.

Artikel 13.14

Als andere bestuursorganen als bedoeld in artikel 18.25, tweede lid, van de wet worden aangewezen:

  1. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;

  2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  3. de korpschef;

  4. het openbaar ministerie;

  5. Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; en

  6. de inspecteur-generaal der mijnen.

Artikel 13.15

Ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt door de bestuursorganen, bedoeld in de artikelen 13.13 en 13.14, bij het verstrekken van persoonsgegevens het burgerservicenummer aangegeven.

Artikel 13.15a

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in Inspectieview Milieu.

Artikel 13.15b

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorgt ervoor dat in Inspectieview Milieu geen gegevens worden bewaard.

Artikel 13.15c

De jaarlijkse beheerkosten van Inspectieview Milieu komen, voor zover ze niet worden gedekt door de jaarlijkse bijdragen van aangesloten bestuursorganen en instanties, voor rekening van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 13.15d

Als andere rechtspersonen of natuurlijke personen als bedoeld in artikel 18.25a, eerste lid, van de wet, worden aangewezen:

  1. een beheerder van een gesloten systeem als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;

  2. een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;

  3. een leverancier als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet; en

  4. een andere leverancier van warmte of andere energiedragers.

Artikel 13.15e

  1. Aan de verplichting tot het verstrekken van gegevens, bedoeld in artikel 18.25a, eerste lid, van de wet, is in ieder geval voldaan als een persoon als bedoeld in artikel 13.15d op verzoek per adres de volgende gegevens over het energiegebruik verstrekt:

    1. straatnaam, huisnummer, postcode en plaatsnaam waarop de aansluiting is geregistreerd;

    2. de naam van de eindafnemer;

    3. in voorkomend geval, het uniek identificatienummer conform de Europese Artikel Nummering betreffende de aansluiting die is toegekend aan elke aansluiting op het betreffende adres of een andere unieke code die is toegekend aan elke aansluiting op het betreffende adres;

    4. het type energiedrager;

    5. de afname van gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, in kubieke meters, de afname van elektriciteit in kilowattuur, de afname van warmte als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet in gigajoules, of het overig energiegebruik in kubieke meters aardgasequivalent in het voorafgaande of laatst beschikbare kalenderjaar;

    6. in voorkomend geval, de invoeding van gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, in kubieke meters, van elektriciteit in kilowattuur, van warmte als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet in gigajoules of van andere energiedragers in kubieke meters aardgasequivalenten in het voorafgaande of laatst beschikbare kalenderjaar;

    7. in voorkomend geval, de theoretische productie op basis van de bij een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, aangemelde productie-installaties, in het voorafgaande of meest recente kalenderjaar;

    8. als degene die de activiteit verricht is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van inschrijving in het handelsregister en het vestigingsnummer; en

    9. in voorkomend geval, de in de Basisregistratie adressen en gebouwen opgenomen identificatienummers.

  2. De verplichting tot het verstrekken van gegevens is niet van toepassing als het energiegebruik per adres het voorafgaande of laatst beschikbare kalenderjaar, voor zover de gegevens hierover beschikbaar zijn bij de personen, bedoeld in artikel 13.15d, voor:

    1. elektriciteitsverbruik kleiner is dan 50.000 kWh;

    2. warmtegebruik kleiner is dan 791 Gj; of

    3. verbruik van aardgasequivalenten kleiner is dan 25.000 m3.

  3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste één keer per jaar op verzoek door een in artikel 13.15d aangewezen persoon op elektronische wijze verstrekt.

Artikel 13.16

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van de volgende werkzaamheden door het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio:

  1. het houden van toezicht op de naleving van paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met inbegrip van het verzamelen en registreren van gegevens die hiervoor van belang zijn; en

  2. het behandelen van klachten over de naleving van paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 13.17

  1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor de coördinatie van het onderling afgestemd verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.16, waartoe in ieder geval behoren:

    1. het houden van toezicht op de naleving van de artikelen 4.5, 4.6, 4.10 tot en met 4.20, 4.22, 4.24 en 4.26 tot en met 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. het vaststellen van een toezichtplan, bedoeld in artikel 13.20, eerste lid;

    3. het uitwerken van een toezichtplan in toezichtprogramma’s, bedoeld in artikel 13.21, eerste lid;

    4. het overleg over toezicht, toezichtrapporten, bestuurlijke handhaving en andere vervolgacties;

    5. het verzamelen en evalueren van voortgangsgegevens, realisatiegegevens en kwaliteitsgegevens over toezicht en vervolgacties; en

    6. het signaleren van geconstateerde overtredingen die ernstig van aard zijn en het organiseren en treffen van verbetermaatregelen.

  2. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio:

    1. verstrekken elkaar onverwijld langs elektronische weg de gegevens en bescheiden waarover zij beschikken, voor zover die gegevens en bescheiden noodzakelijk zijn voor het goed verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.16; en

    2. stemmen het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld onder a, onderling af.

  3. Tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onder a, behoren in ieder geval:

    1. de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste lid, en 4.6, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, die moeten worden verstrekt als paragraaf 4.2 van dat besluit van toepassing is geworden op een Seveso-inrichting of bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van dat besluit;

    2. de voor een Seveso-inrichting verleende omgevingsvergunningen, de aanvragen om omgevingsvergunningen voor een Seveso-inrichting en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden;

    3. besluiten tot aanwijzing als inrichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn in de omgevingsvergunning op grond van artikel 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    4. een opgesteld of bijgewerkt veiligheidsrapport of deel daarvan;

    5. de conclusies van het onderzoek van het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 13.19, eerste lid;

    6. de toezichtrapporten, bedoeld in artikel 13.23, eerste lid;

    7. handhavingsacties en beschikkingen tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie aan degene die een Seveso-inrichting exploiteert;

    8. het rapport inzake de bedrijfsbrandweer, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit veiligheidsregio’s, en het besluit tot het aanwijzen van een locatie als bedrijfsbrandweerplichtig, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s; en

    9. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving die worden verstrekt als een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden.

Artikel 13.18

  1. Het bevoegd gezag onderzoekt of de onderdelen van het opgestelde of bijgewerkte veiligheidsrapport die gaan over externe veiligheidsrisico’s voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. Het bevoegd gezag stelt de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, de werkgever en zelfstandige voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  3. Het bevoegd gezag stelt het bestuur van de veiligheidsregio waarin de Seveso-inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over de bedrijfsbrandweer en de voorbereiding van de rampenbestrijding, voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  4. Het bevoegd gezag stelt het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over mogelijke waterverontreiniging of een mogelijke belemmering voor de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk bij een zwaar ongeval voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15 en 4.16, eerste lid, onder c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 13.19

  1. Het bevoegd gezag stelt degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van het veiligheidsrapport, in kennis van de conclusies van het onderzoek daarvan.

  2. Als het bevoegd gezag van oordeel is dat het veiligheidsrapport onvolledig is, wordt degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen acht weken na ontvangst van het veiligheidsrapport verzocht om aanvullende gegevens en bescheiden te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen termijn van ten hoogste zes weken.

  3. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag dat het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is gedaan tot de dag waarop de aanvullende gegevens en bescheiden zijn verstrekt.

Artikel 13.20

  1. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio zorgen gezamenlijk voor het vaststellen, bezien en bijwerken van een toezichtsysteem en een toezichtplan.

  2. Het toezichtplan bevat ten minste:

    1. een algemene beoordeling van de relevante veiligheidskwesties;

    2. het gebied dat het toezichtplan bestrijkt;

    3. een lijst van de Seveso-inrichtingen die onder het plan vallen;

    4. een lijst van de Seveso-inrichtingen die zijn aangewezen op grond van artikel 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    5. een lijst van de Seveso-inrichtingen met specifieke externe risico’s of gevarenbronnen die het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten;

    6. procedures voor routinematig toezicht;

    7. procedures voor niet-routinematig toezicht waarmee ernstige klachten, zware ongevallen, bijna-ongevallen, incidenten en overtredingen zo spoedig mogelijk worden onderzocht; en

    8. afspraken over samenwerking tussen het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio.

  3. Het toezichtplan wordt regelmatig bezien en zo nodig bijgewerkt.

Artikel 13.21

  1. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio werken gezamenlijk het toezichtplan uit in toezichtprogramma’s voor routinematig en niet-routinematig toezicht op een Seveso-inrichting.

  2. Een toezichtprogramma vermeldt ten minste de frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden. De frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden, is:

    1. voor hogedrempelinrichtingen: ten minste eenmaal per jaar; en

    2. voor Seveso-inrichtingen die geen hogedrempelinrichtingen zijn: ten minste eenmaal per drie jaar.

  3. Het tweede lid, tweede zin, is niet van toepassing als een toezichtprogramma is vastgesteld op grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware ongevallen, die ten minste is gebaseerd op:

    1. de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu;

    2. gegevens over de naleving van paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    3. als dat passend is: bevindingen van het houden van toezicht op de naleving van andere wettelijke voorschriften dan die in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 13.22

  1. Het houden van toezicht wordt afgestemd op het soort Seveso-inrichting en is niet afhankelijk van de ontvangst van het veiligheidsrapport of van andere ingediende rapporten.

  2. Met bezoeken ter plaatse, het controleren van interne maatregelen, systemen, rapporten, documenten en opvolging van bevindingen en een planmatig, systematisch, technisch, organisatorisch en bedrijfskundig onderzoek van de systemen die in de Seveso-inrichting worden gebruikt, wordt nagegaan of:

    1. degene die de Seveso-inrichting exploiteert kan aantonen dat:

      1. passende maatregelen zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen; en

      2. in passende middelen is voorzien om de gevolgen van zware ongevallen te beperken;

    2. het veiligheidsrapport en andere ingediende rapporten de situatie adequaat weergeven; en

    3. de artikelen 4.5, 4.6, 4.10 tot en met 4.20, 4.22, 4.24 en 4.26 tot en met 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden nageleefd.

  3. Als dat passend is, wordt het toezicht zoveel mogelijk gecombineerd met toezicht op andere wettelijke voorschriften.

Artikel 13.23

  1. Binnen vier maanden na afronding van een bezoek, controle of onderzoek als bedoeld in artikel 13.22, tweede lid, worden de bevindingen vastgelegd in een toezichtrapport en meegedeeld aan degene die de Seveso-inrichting exploiteert.

  2. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio zien er, voor zover het gaat om de uitoefening van hun bevoegdheden en het verrichten van hun werkzaamheden, op toe dat degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen een redelijke termijn na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, de bevindingen opvolgt door de vereiste maatregelen te treffen.

  3. Als een belangrijke overtreding van een bepaling in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geconstateerd, vindt binnen zes maanden na die constatering aanvullend toezicht plaats.

Artikel 13.24

  1. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio verschaffen aan een ieder de volgende gegevens:

    1. de datum waarop voor het laatst routinematig toezicht is gehouden of een verwijzing naar de plaats waar die informatie elektronisch kan worden geraadpleegd; en

    2. inlichtingen over de wijze waarop op verzoek meer gedetailleerde gegevens over het toezicht en het toezichtplan kunnen worden verkregen.

  2. Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste zin, van de Wet milieubeheer worden aangewezen toezichtrapporten als bedoeld in artikel 13.23, eerste lid.

  3. Als toepassing wordt gegeven aan de bevoegdheid, bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, eerste zin, van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast toezichtrapport beschikbaar gesteld, dat ten minste algemene gegevens bevat over risico’s van zware ongevallen, de mogelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu en de bevindingen van het toezicht.

Artikel 13.25

  1. Deze afdeling is van toepassing op het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie vanwege enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde.

  2. Deze afdeling is ook van toepassing op de strafbaarstellingen voor handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens artikel 48, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio’s en krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde.

Artikel 13.26

Een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter zake van de naleving van het krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet, in de artikelen 4.4, 4.5, eerste en derde lid, 4.6, eerste lid, 4.7, 4.9 tot en met 4.15, 4.18, 4.19, 4.20, 4.22, 4.23, 4.24, 4.26, 4.27 en 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde.

Artikel 13.27

  1. Als overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt aangemerkt het handelen of nalaten door de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf verricht, in strijd met de in artikel 13.26 genoemde artikelen, met uitzondering van artikel 4.9, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. Als ernstige overtreding als bedoeld in artikel 34, zesde en negende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet wordt aangemerkt een overtreding waardoor de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van die wet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf verricht, weet of redelijkerwijs moet weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers of van de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid verricht, ontstaat of is te verwachten.

  3. Als soortgelijke verplichtingen en verboden als bedoeld in artikel 34, vijfde en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden aangewezen verplichtingen en verboden die voortvloeien uit het in de in artikel 13.26 genoemde artikelen bepaalde, voor zover het boetenormbedrag voor de bestuurlijke boete op overtreding van die verplichting of dat verbod op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van die wet, hoger is dan € 12.500,–.

  4. Een overtreding van artikel 4.9, eerste lid, of 4.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aangemerkt als een soortgelijke overtreding als het boetenormbedrag op deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, is ingedeeld in dezelfde boetecategorie als het boetenormbedrag van de eerdere overtreding.

Artikel 13.28

  1. Na een herhaling van een overtreding of een soortgelijke overtreding kan een waarschuwing als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden gegeven. Als opnieuw dezelfde of een soortgelijke overtreding is geconstateerd, kan de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf verricht, een bevel worden opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode van ten hoogste drie maanden worden stilgelegd of niet mogen aanvangen.

  2. Als de aard van de overtreding of de soortgelijke overtreding, de met de overtreding of soortgelijke overtreding samenhangende omstandigheden of de gevolgen van een stillegging van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van het geven van een waarschuwing en het opleggen van een bevel.

  3. Van een soortgelijke overtreding als bedoeld in het eerste en tweede lid is sprake als het gaat om een overtreding van de in artikel 13.26 genoemde artikelen, voor zover het boetenormbedrag voor de bestuurlijke boete op deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, hoger is dan € 50.000,–.

  4. Een overtreding van artikel 4.9, eerste lid, of 4.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aangemerkt als een soortgelijke overtreding als het boetenormbedrag van deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, is ingedeeld in dezelfde boetecategorie als het boetenormbedrag van de eerdere overtreding.

Artikel 13.29

Handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens artikel 48, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio's in de artikelen 4.14, 4.15, 4.17, 4.19, 4.20 en 4.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.

Artikel 13.30

Handelen of nalaten door de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, in strijd met het krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet in de artikelen 4.4, 4.5, eerste en derde lid, 4.6, eerste lid, 4.7, 4.9 tot en met 4.15, 4.18, 4.19, 4.20, 4.22, 4.23, 4.24, 4.26, 4.27 en 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

← terug naar Omgevingsbesluit