Omgevingsbesluit Actueel

Inhoud

Afdeling 4.1

Bevoegd gezag omgevingsvergunning

Artikel 4.1

  1. Deze afdeling regelt welk bestuursorgaan, anders dan het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 5.8 of 5.12, tweede lid, van de wet, beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning:

    1. voor wateractiviteiten: in paragraaf 4.1.2; en

    2. voor andere activiteiten: in paragraaf 4.1.3.

  2. Paragraaf 4.1.4 is van toepassing op zowel wateractiviteiten als andere activiteiten.

Artikel 4.2

  1. Het dagelijks bestuur van het waterschap beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende wateractiviteiten:

    1. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam dat onderdeel is van een watersysteem als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 1°, van de wet;

    2. een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk; of

    3. een activiteit waarvoor in de waterschapsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden.

  2. Het dagelijks bestuur van het waterschap beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateractiviteiten als bedoeld in het eerste lid en een of meer andere wateractiviteiten.

Artikel 4.3

  1. Gedeputeerde staten beslissen op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende wateractiviteiten:

    1. een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    2. een wateractiviteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden.

  2. Gedeputeerde staten beslissen ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, en een of meer andere wateractiviteiten.

Artikel 4.4

  1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende wateractiviteiten:

    1. een wateractiviteit die betrekking heeft op een watersysteem of onderdeel daarvan als bedoeld in artikel 3.1; of

    2. een stortingsactiviteit op zee vanaf een in Nederland geregistreerd vaartuig of luchtvaartuig dat zich buiten Nederland en de exclusieve economische zone bevindt.

  2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateractiviteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover het gaat om:

    1. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van een milieubelastende activiteit met betrekking tot een ippc-installatie of een Seveso-inrichting; of

    2. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die wordt verricht in het kader van de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

    en een of meer andere wateractiviteiten.

Artikel 4.4a

  1. Dit artikel is alleen van toepassing als op grond van de artikelen 4.2, 4.3 en 4.4 nog geen bevoegd gezag is aangewezen.

  2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

    1. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid; en

    2. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid.

Artikel 4.5

  1. Als het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, en gedeputeerde staten op grond van artikel 4.3, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag.

  2. Als het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.4, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag.

  3. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.3, tweede lid, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.4, tweede lid, en in voorkomend geval het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag.

Artikel 4.6

  1. Gedeputeerde staten beslissen op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

    1. een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang;

    2. een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren;

    3. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, 3.48, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 3.47, onder a, 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, 3.91, eerste lid, of 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    4. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis of een lokale spoorweg die niet ligt in een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000;

    5. een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit die niet is aangewezen in artikel 4.12, tweede en derde lid; of

    6. een activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden.

  2. Gedeputeerde staten beslissen ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in:

    1. het eerste lid, onder a;

    2. het eerste lid, onder b, voor zover het gaat om een ontgrondingsactiviteit waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven; of

    3. het eerste lid, onder c, met uitzondering van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, 3.48, of 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    en een of meer andere activiteiten.

Artikel 4.7

Als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewezen, beslist het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in dat artikellid, op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een lokale spoorweg in dat gebied.

Artikel 4.8

  1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer omgevingsplanactiviteiten van nationaal belang.

  2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer omgevingsplanactiviteiten van nationaal belang en een of meer andere activiteiten.

Artikel 4.9

Onze Minister van Defensie beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een militaire luchthaven.

Artikel 4.10

  1. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

    1. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. een mijnbouwlocatieactiviteit; of

    3. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk.

  2. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in:

    1. het eerste lid, onder a, tenzij het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aardwarmte;

    2. het eerste lid, onder b; of

    3. het eerste lid, onder c;

    en een of meer andere activiteiten.

Artikel 4.11

  1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

    1. een ontgrondingsactiviteit in een rijkswater anders dan in het winterbed van een rivier;

    2. een milieubelastende activiteit waarbij nationale veiligheidsbelangen zijn betrokken als bedoeld in:

      1. artikel 3.247 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      2. artikel 3.324, eerste lid, 3.327, 3.332 of 3.335, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

      3. elke andere bepaling uit hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin een vergunningplichtige milieubelastende activiteit is aangewezen, als die activiteit geheel of in hoofdzaak plaatsvindt op:

        1. i

          een locatie als bedoeld in artikel 5.28, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of

        2. ii

          een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    3. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, de luchthaven Schiphol, een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, een buitenlandse burgerluchthaven, een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg; of

    4. een activiteit anders dan bedoeld onder a tot en met c of in artikel 4.10, eerste lid, 4.12 of 4.13, die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in:

      1. de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied; of

      2. de exclusieve economische zone.

  2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in:

    1. het eerste lid, onder a, voor zover het gaat om een ontgrondingsactiviteit waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven; of

    2. het eerste lid, onder b;

    en een of meer andere activiteiten.

Artikel 4.11a

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 3.48b van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.12

  1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

    1. een Natura 2000-activiteit van nationaal belang; of

    2. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang.

  2. De volgende Natura 2000-activiteiten en de volgende flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.39, 11.40, 11.46, 11,47, aanhef en onder b, 11.48, 11.54. 11.60 en 11.61 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden als activiteiten van nationaal belang aangewezen:

    1. een activiteit voor het aanleggen, uitbreiden, inrichten, wijzigen, gebruiken, beheren of onderhouden van:

      1. een autoweg, autosnelweg, vaarweg, hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, voor zover deze weg wordt beheerd door het Rijk en voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het vervoer en transport via deze weg of de inpassing in de fysieke leefomgeving;

      2. een primaire waterkering in beheer bij het Rijk en doorgangen in deze waterkeringen, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met de waterveiligheid of de inpassing in de fysieke leefomgeving;

      3. een militair terrein en een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met militaire doeleinden of de inpassing in de fysieke leefomgeving;

      4. een militaire luchthaven;

      5. de luchthaven Schiphol of een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het vervoer en transport via deze luchthaven of met de inpassing in de fysieke leefomgeving;

      6. het transmissiesysteem voor gas, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, of het landelijk transportnet voor waterstofgas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, waarvoor door de Minister van Klimaat en Groene Groei een beheerder is aangewezen; en

      7. een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met de elektriciteitsvoorziening;

    2. een activiteit die rechtstreeks samenhangt met:

      1. het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, onder b, van de wet;

      2. landaanwinning in de territoriale zee; of

      3. het opsporen, winnen of opslaan van:

        1. i

          delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Mijnbouwwet die zich bevinden op een diepte van meer dan 100 m beneden de oppervlakte van de aardbodem; of

        2. ii

          aardwarmte als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Mijnbouwwet die zich bevindt op een diepte van meer dan 500 m beneden de oppervlakte van de aardbodem;

    3. een activiteit van het Rijk die nodig is voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de hoofdwateren, bedoeld in bijlage II, onder 1, onder A;

    4. een militaire activiteit, verricht door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, buiten de onder a, onder 3°, bedoelde terreinen, en buiten de onder a, onder 4°, bedoelde militaire luchthavens;

    5. een vlucht met opsporings- of reddingshelikopters buiten de reguliere routes;

    6. de uitoefening van een van de volgende vormen van commerciële visserij of vanwege onderzoek uitgevoerde visserij:

      1. niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren; of

      2. sleepnetvisserij in zoute wateren;

    7. een lozingsactiviteit, inhoudende het brengen van afvalwater in de Waddenzee;

    8. een activiteit verricht door of namens een buitenlandse mogendheid;

    9. een activiteit die rechtstreeks uitvoering geeft aan het op 19 april 1839 te Londen gesloten Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden (Trb. 1966, nr. 161);

    10. een activiteit van of namens een lid van het Koninklijk Huis of op terreinen waar de Kroondrager gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht; en

    11. een activiteit die geheel of grotendeels plaatsvindt in:

      1. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54);

      2. niet-provinciaal ingedeeld gebied; of

      3. de exclusieve economische zone.

  3. Als flora- en fauna-activiteiten van nationaal belang worden ook aangewezen:

    1. een activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. een activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    3. een activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, 11.39, eerste lid, 11.46, eerste lid, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, of 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om:

      1. het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren ten behoeve van vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren;

      2. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier toe-eigent is gestorven, met het oog op het prepareren ervan;

      3. het onder zich hebben van een geprepareerd uit het wild afkomstig dier; of

      4. het onder zich hebben van dieren of planten die vanuit een ander land binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht;

    4. een activiteit als bedoeld in artikel 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van motorboten op open zee als bedoeld in bijlage IV, onder b, tweede gedachtestreep, tweede zin, bij de vogelrichtlijn;

    5. een activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, of 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om het vangen en onder zich hebben van bruinvissen, gewone dolfijnen, gewone zeehonden, grijze zeehonden, tuimelaars, witflankdolfijnen of witsnuitdolfijnen ten behoeve van:

      1. het opvangen en verzorgen van zieke of gewonde dieren van deze soorten in een opvangcentrum; of

      2. het doen van wetenschappelijk onderzoek; en

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om:

      1. herintroductie van soorten;

      2. het uitzetten van dieren voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden;

      3. het uitzetten van dieren samen met de onder 2° bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren; of

      4. het uitzetten van dieren of eieren van dieren buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort.

  4. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkelvoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een valkeniersactiviteit.

Artikel 4.13

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument.

Artikel 4.14

  1. Dit artikel is alleen van toepassing als:

    1. het college van burgemeester en wethouders niet behoort tot de bij de aanvraag betrokken bestuursorganen, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet; en

    2. op grond van de artikelen 4.6, 4.7, 4.9, 4.10, 4.11, 4.11a, 4.12, eerste lid, en 4.13 nog geen bevoegd gezag is aangewezen.

  2. Gedeputeerde staten beslissen op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

    1. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid; en

    2. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.7.

  3. Onze Minister van Defensie beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

    1. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9; en

    2. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.

  4. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

    1. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid; en

    2. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.

  5. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

    1. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid; en

    2. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.

  6. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

    1. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11a; en

    2. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.

  7. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

    1. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.12, eerste lid; en

    2. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.

  8. Voor zover op grond van het tweede tot en met zevende lid nog geen bevoegd gezag is aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:

    1. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9, 4.10, eerste lid, 4.11, eerste lid, 4.11a, 4.12, eerste lid, of 4.13; en

    2. in voorkomend geval een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.

Artikel 4.15

  1. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van artikel 4.8, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de aanvraag.

  2. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op grond van artikel 4.10, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op de aanvraag.

  3. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.11, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag.

  4. Als meer dan een van Onze hiervoor genoemde Ministers op grond van artikel 4.8, tweede lid, 4.10, tweede lid, of 4.11, tweede lid, en in voorkomend geval ook gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de aanvraag.

Artikel 4.16

  1. In afwijking van artikel 4.6 beslissen gedeputeerde staten op elke enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 5.1 of 5.4 van de wet als:

    1. die activiteiten geen wateractiviteiten zijn;

    2. die activiteiten worden verricht op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, of 3.91, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    3. voor de milieubelastende activiteit, bedoeld onder b, een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag alleen of onder meer betrekking heeft op:

    1. een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang;

    2. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aardwarmte;

    3. een mijnbouwlocatieactiviteit; of

    4. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk.

Artikel 4.17

  1. Het met toepassing van artikel 5.16 van de wet overdragen van de bevoegdheid om op een aanvraag om een omgevingsvergunning te beslissen of om paragraaf 5.1.5 van de wet voor een omgevingsvergunning toe te passen, kan zich alleen uitstrekken tot meer dan een aanvraag om een omgevingsvergunning of meer dan een al verleende omgevingsvergunning als de aanvragen of vergunningen betrekking hebben op:

    1. activiteiten die worden verricht op hetzelfde bedrijventerrein; of

    2. een in een ander opzicht samenhangend geheel van activiteiten.

  2. Het bestuursorgaan dat zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 5.16 van de wet overdraagt, geeft tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze en doet mededeling van dat besluit door toezending daarvan aan de aanvrager of de vergunninghouder.

  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.

← terug naar Omgevingsbesluit