1. De Raad toetst jaarlijks of advocaten die ingeschreven staan voor een specialisatie voldoen aan de in hoofdstuk 6 gestelde eisen voor de voortzetting van die specialisatie.

  2. De Raad raadpleegt daartoe het aantal afgegeven toevoegingen op het terrein van een specialisatie in de eigen administratie. De Raad benadert advocaten die gedurende één kalenderjaar minder toevoegingen hebben behandeld dan vereist is voor de voortzetting van een specialisatie. De Raad stelt advocaten in de gelegenheid om gemotiveerd aan te geven of zij ingeschreven willen blijven staan voor die specialisatie en bewijsstukken te overleggen van eventuele betalende zaken, opleidingspunten of lidmaatschap van werkgroepen.

  3. De Raad toetst bij advocaten, aan wie blijkens de eigen administratie voldoende toevoegingen voor een specialisatie zijn afgegeven, steekproefsgewijs of zij aan de overige gestelde eisen hebben voldaan.

  4. De Raad kan besluiten de gestelde eisen voor het onderhouden van de deskundigheid (aantallen opleidingspunten en zaken) bij de betreffende advocaat niet steekproefsgewijs te toetsen op het rechtsgebied waarop de specialisatievereniging actief is indien de advocaat lid is van een specialisatievereniging die:

    1. van de NOvA het keurmerk specialisatievereniging heeft gekregen;

    2. voor haar leden minimaal dezelfde deskundigheidseisen stelt als de Raad; en

    3. steekproefsgewijs aan de hand van bewijsstukken toetst of aan deze eisen is voldaan.

  5. De Raad kan tevens op eigen initiatief (op basis van signalen of wanneer zij dat nodig acht) toetsen of een ingeschreven advocaat, op alle specialisaties waarvoor deze ingeschreven staat, voldoet aan de in hoofdstuk 6 gestelde eisen voor de voortzetting van die specialisatie.

  6. Een advocaat toont aan dat opleidingspunten zijn behaald door overlegging van adequate bewijsstukken. Het bepaalde in artikel 4.4, zevende lid Voda is van overeenkomstige toepassing.