1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe of latere consumptie worden bereid of verstrekt, of waarin bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden bereid om te worden afgehaald. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, (afhaal)restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.

    2. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel van de inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;

    3. exploitant: degene die een openbare inrichting exploiteert;

    4. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in artikel 2:28, eerste lid van deze verordening is verleend;

    5. leidinggevende: leidinggevende als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    6. bezoeker: eenieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van:

      1. leidinggevenden;

      2. de gezinsleden van de vergunninghouder, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

      3. personen die dienst doen in de inrichting;

      4. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

      5. personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.