Algemene plaatselijke verordening gemeente Westerkwartier 2021 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 10A. Carbidschieten
Paragraaf Afdeling 11. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10

Definities

Voor de toepassing van hoofdstuk 4, afdeling 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 35 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 35 cm dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven maaiveld. De minimale stamdoorsnede van 35 cm op borsthoogte geldt niet voor bomen in houtsingels in het buitengebied;

  2. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtsingel, erfbeplanting of wegbeplanting;

  3. hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn afgezet, opnieuw op de stronk uitlopen;

  4. dunning: velling, die uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;

  5. rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van een houtopstand;

  6. kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;

  7. afzetten: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand met als doel dat de houtopstand opnieuw op de stronk uitloopt;

  8. vellen: rooien van een houtopstand, kappen van een houtopstand, afzetten van een houtopstand anders dan bij wijze van dunning, verplanten van een houtopstand, onoordeelkundig snoeien van een houtopstand (i.c. meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel wegnemen) alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  9. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  10. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1, onder a., van de Wet natuurbescherming;

  11. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

  12. houtsingel: lijnvormige houtopstand (landschapselement), gelegen in het buitengebied, waarop specifiek landschappelijk beleid van toepassing is. Op boomniveau geldt in houtsingels niet de minimale dwarsdoorsnede van de stam van 35 cm.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van dunning.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    1. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden en langs waterwegen, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen;

    2. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    3. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    4. kweekgoed.

  3. (Vervallen)

  4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist, indien houtopstand moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college.

  5. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

Artikel 4:12

Vergunningaanvraag

  1. De vergunning moet schriftelijk gemotiveerd en onder bijvoeging van een situatieschets worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  2. Wanneer door Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen aan het college een afschrift is toegezonden van een melding kap als bedoeld in de Wet natuurbescherming, beschouwt het college dit afschrift mede als een vergunningsaanvraag.

Artikel 4:12a

Voorschriften aan een vergunning

  1. Het college kan aan een krachtens deze verordening verleende vergunning onder meer voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van:

    1. de handhaving van het natuurschoon en/of landschapsschoon;

    2. de handhaving van het dorps-/stadsschoon;

    3. andere redenen van milieubeheer.

  2. Het college kan bij het onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

  3. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college van te geven aanwijzingen moet worden herbeplant.

  4. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen aanwijzingen behoren ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

  5. Wordt een voorschrift, als in het eerste tot en met het derde lid bedoeld, gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

Artikel 4:12b

Weigering van een vergunning

  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

    1. de natuurwaarde van de houtopstand;

    2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    6. de recreatieve waarde van de houtopstand;

    7. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  2. Het college kan bij het weigeren van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

  3. Een vergunning wordt in elk geval geweigerd als de kapaanvraag op de volgende gronden is gebaseerd:

    1. honingdauw / roetdauw;

    2. geringe tot matige schaduwwerking;

    3. angst voor omwaaien van vitale, gezonde bomen;

    4. allergie voor stuifmeel van bomen;

    5. plaagorganismen in bomen zoals eikenprocessierups, eikenbladroller, wintervlinder, spinselmotten e.d.;

    6. vallende vruchten en zaden;

    7. in bomen roestende of nestelende groepen vogels zoals spreeuwen en roeken;

    8. het creëren van uitzicht vanuit een gebouw of zicht op een gebouw;

    9. het plaatsen van een satellietontvanger of het verbeteren van de ontvangst van een satellietontvanger;

    10. het plaatsen van zonnepanelen of het verbeteren van het rendement van reeds geplaatste zonnepanelen.

Artikel 4:12c

Vervaltermijn vergunning

De vergunning vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na afgifte volledig gebruik is gemaakt tenzij er voorschriften in de vergunning zijn opgenomen die anders bepalen.

Artikel 4:12d

Bestrijding van iepziekte

  1. In dit artikel wordt verstaat onder:

    1. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    2. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.

  2. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiden van iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    2. de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;

    3. de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  3. Ten aanzien van het voorhanden hebben, het in voorraad hebben of het vervoeren van iepenhout geldt het volgende:

    1. het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren;

    2. het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter;

    3. het college kan ontheffing verlenen van het onder a. van dit lid gestelde verbod.

Artikel 4:12e

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld anders dan bij wijze van dunning, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn.

  2. Wordt een verplichting als in het vorige lid bedoeld opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn maatregelen te nemen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:12f

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Westerkwartier 2021