1. Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend op grond van de in artikel 6:4 genoemde verordeningen blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook is opgenomen in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid verliezen vergunningen en ontheffingen op grond van de in artikel 6:4 genoemde verordeningen, die voor onbepaalde tijd zijn verleend en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken, hun geldigheid een jaar na het inwerkingtreden van deze verordening.

  3. Geboden, voorschriften en beperkingen - hoe ook genaamd - opgelegd op grond van de in artikel 6:4 genoemde verordeningen blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze geboden, voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd of verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.

  4. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 6:4 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van deze verordening toegepast.

  5. Op een bezwaar- of beroepschrift betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een gebod, voorschrift of beperking bedoeld in het derde lid verleend dan wel opgelegd op grond van een van de verordeningen genoemd in artikel 6:4 en waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening beslist.