Algemene plaatselijke verordening gemeente Westerkwartier 2021 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 10A. Carbidschieten
Paragraaf Afdeling 11. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor inrichtingen voor horeca-, sport- en recreatieactiviteiten tijdens door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor inrichtingen voor sportactiviteiten tijdens door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een door het college aangewezen gebied.

  4. Het college maakt de aanwijzing ten minste acht weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Het A-gewogen equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, gemeten over 3 minuten, bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter en bedraagt niet meer dan 50 dB(A) in in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

  7. Het C-gewogen equivalente geluidsniveau LCeq veroorzaakt door de inrichting, gemeten over 3 minuten, bedraagt niet meer dan 90 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  8. Het equivalente geluidsniveau, bedoeld in het zesde en zevende lid, is inclusief onversterkte muziek en wordt bepaald conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999, met dien verstande dat de meetduur op 3 minuten wordt gesteld en er geen bedrijfsduurcorrectie en geen straffactor van 10 dB voor muziekgeluid wordt toegepast.

  9. Het college kan ter voorkoming of beperking van geluidhinder voorwaarden verbinden aan collectieve festiviteiten.

  10. Het college kan van het in het zesde en zevende lid bepaalde ontheffing verlenen.

  11. De in het zesde lid aangegeven waarde in in- of aanpandige gevoelige gebouwen geldt niet, indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen.

Artikel 4:3

Melding incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting voor horeca-, sport- en recreatieactiviteiten toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  2. Het is een inrichting voor sportactiviteiten toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  6. Het A-gewogen equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, gemeten over 3 minuten, bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter en bedraagt niet meer dan 50 dB(A) in in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

  7. Het C-gewogen equivalente geluidsniveau LCeq veroorzaakt door de inrichting, gemeten over 3 minuten, bedraagt niet meer dan 90 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  8. Het equivalente geluidsniveau, bedoeld in het zesde en zevende lid, is inclusief onversterkte muziek en wordt bepaald conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999, met dien verstande dat de meetduur op 3 minuten wordt gesteld en er geen bedrijfsduurcorrectie en geen straffactor van 10 dB voor muziekgeluid wordt toegepast.

  9. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5, uiterlijk om 23.00 uur beëindigd indien de festiviteit op een zondag, maandag, dinsdag, woensdag of een donderdag plaatsvindt en uiterlijk om 02.00 uur van de eerstvolgende dag indien de festiviteit op een vrijdag of zaterdag aanvangt;

  10. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid en zevende lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  11. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  12. Het college kan ter voorkoming of beperking van geluidhinder voorwaarden verbinden aan incidentele festiviteiten.

  13. Het college kan van het in het zesde en zevende lid bepaalde ontheffing verlenen.

  14. De in het zesde lid aangegeven waarde in in- of aanpandige gevoelige gebouwen geldt niet, indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen.

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Besluit binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    3. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  2. Tabel

  3. Voor de duur van drie uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.

Artikel 4:5a

Geluidhinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4:5b

Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9a

Verbod oplaten ballonnen

  1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen.

  2. Onder ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, sfeerballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon en geluksballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur of gas opstijgt en zonder sturing wegdrijft.

  3. Het verbod is niet van toepassing op een luchtballon, zijnde een luchtvaartuig, of een ballon ten behoeve van wetenschappelijk of meteorologisch onderzoek.

Artikel 4:10

Definities

Voor de toepassing van hoofdstuk 4, afdeling 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 35 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 35 cm dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven maaiveld. De minimale stamdoorsnede van 35 cm op borsthoogte geldt niet voor bomen in houtsingels in het buitengebied;

  2. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtsingel, erfbeplanting of wegbeplanting;

  3. hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn afgezet, opnieuw op de stronk uitlopen;

  4. dunning: velling, die uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;

  5. rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van een houtopstand;

  6. kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;

  7. afzetten: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand met als doel dat de houtopstand opnieuw op de stronk uitloopt;

  8. vellen: rooien van een houtopstand, kappen van een houtopstand, afzetten van een houtopstand anders dan bij wijze van dunning, verplanten van een houtopstand, onoordeelkundig snoeien van een houtopstand (i.c. meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel wegnemen) alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  9. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  10. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1, onder a., van de Wet natuurbescherming;

  11. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

  12. houtsingel: lijnvormige houtopstand (landschapselement), gelegen in het buitengebied, waarop specifiek landschappelijk beleid van toepassing is. Op boomniveau geldt in houtsingels niet de minimale dwarsdoorsnede van de stam van 35 cm.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van dunning.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    1. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden en langs waterwegen, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen;

    2. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    3. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    4. kweekgoed.

  3. (Vervallen)

  4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist, indien houtopstand moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college.

  5. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

Artikel 4:12

Vergunningaanvraag

  1. De vergunning moet schriftelijk gemotiveerd en onder bijvoeging van een situatieschets worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  2. Wanneer door Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen aan het college een afschrift is toegezonden van een melding kap als bedoeld in de Wet natuurbescherming, beschouwt het college dit afschrift mede als een vergunningsaanvraag.

Artikel 4:12a

Voorschriften aan een vergunning

  1. Het college kan aan een krachtens deze verordening verleende vergunning onder meer voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van:

    1. de handhaving van het natuurschoon en/of landschapsschoon;

    2. de handhaving van het dorps-/stadsschoon;

    3. andere redenen van milieubeheer.

  2. Het college kan bij het onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

  3. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college van te geven aanwijzingen moet worden herbeplant.

  4. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen aanwijzingen behoren ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

  5. Wordt een voorschrift, als in het eerste tot en met het derde lid bedoeld, gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

Artikel 4:12b

Weigering van een vergunning

  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

    1. de natuurwaarde van de houtopstand;

    2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    6. de recreatieve waarde van de houtopstand;

    7. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  2. Het college kan bij het weigeren van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

  3. Een vergunning wordt in elk geval geweigerd als de kapaanvraag op de volgende gronden is gebaseerd:

    1. honingdauw / roetdauw;

    2. geringe tot matige schaduwwerking;

    3. angst voor omwaaien van vitale, gezonde bomen;

    4. allergie voor stuifmeel van bomen;

    5. plaagorganismen in bomen zoals eikenprocessierups, eikenbladroller, wintervlinder, spinselmotten e.d.;

    6. vallende vruchten en zaden;

    7. in bomen roestende of nestelende groepen vogels zoals spreeuwen en roeken;

    8. het creëren van uitzicht vanuit een gebouw of zicht op een gebouw;

    9. het plaatsen van een satellietontvanger of het verbeteren van de ontvangst van een satellietontvanger;

    10. het plaatsen van zonnepanelen of het verbeteren van het rendement van reeds geplaatste zonnepanelen.

Artikel 4:12c

Vervaltermijn vergunning

De vergunning vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na afgifte volledig gebruik is gemaakt tenzij er voorschriften in de vergunning zijn opgenomen die anders bepalen.

Artikel 4:12d

Bestrijding van iepziekte

  1. In dit artikel wordt verstaat onder:

    1. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    2. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.

  2. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiden van iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    2. de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;

    3. de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  3. Ten aanzien van het voorhanden hebben, het in voorraad hebben of het vervoeren van iepenhout geldt het volgende:

    1. het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren;

    2. het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter;

    3. het college kan ontheffing verlenen van het onder a. van dit lid gestelde verbod.

Artikel 4:12e

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld anders dan bij wijze van dunning, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn.

  2. Wordt een verplichting als in het vorige lid bedoeld opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn maatregelen te nemen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:12f

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:14

Stankoverlast door gebruik van meststoffen

(Gereserveerd)

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding

    1. indien het verkeer in gevaar wordt gebracht;

    2. indien het ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt;

    3. indien het niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:17

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    1. natuur en landschap; of

    2. een stadsgezicht.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Westerkwartier 2021