Voor de toepassing van hoofdstuk 4, afdeling 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 35 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 35 cm dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven maaiveld. De minimale stamdoorsnede van 35 cm op borsthoogte geldt niet voor bomen in houtsingels in het buitengebied;

  2. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtsingel, erfbeplanting of wegbeplanting;

  3. hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn afgezet, opnieuw op de stronk uitlopen;

  4. dunning: velling, die uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;

  5. rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van een houtopstand;

  6. kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;

  7. afzetten: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand met als doel dat de houtopstand opnieuw op de stronk uitloopt;

  8. vellen: rooien van een houtopstand, kappen van een houtopstand, afzetten van een houtopstand anders dan bij wijze van dunning, verplanten van een houtopstand, onoordeelkundig snoeien van een houtopstand (i.c. meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel wegnemen) alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  9. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  10. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1, onder a., van de Wet natuurbescherming;

  11. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

  12. houtsingel: lijnvormige houtopstand (landschapselement), gelegen in het buitengebied, waarop specifiek landschappelijk beleid van toepassing is. Op boomniveau geldt in houtsingels niet de minimale dwarsdoorsnede van de stam van 35 cm.