1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

    1. de natuurwaarde van de houtopstand;

    2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    6. de recreatieve waarde van de houtopstand;

    7. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  2. Het college kan bij het weigeren van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

  3. Een vergunning wordt in elk geval geweigerd als de kapaanvraag op de volgende gronden is gebaseerd:

    1. honingdauw / roetdauw;

    2. geringe tot matige schaduwwerking;

    3. angst voor omwaaien van vitale, gezonde bomen;

    4. allergie voor stuifmeel van bomen;

    5. plaagorganismen in bomen zoals eikenprocessierups, eikenbladroller, wintervlinder, spinselmotten e.d.;

    6. vallende vruchten en zaden;

    7. in bomen roestende of nestelende groepen vogels zoals spreeuwen en roeken;

    8. het creëren van uitzicht vanuit een gebouw of zicht op een gebouw;

    9. het plaatsen van een satellietontvanger of het verbeteren van de ontvangst van een satellietontvanger;

    10. het plaatsen van zonnepanelen of het verbeteren van het rendement van reeds geplaatste zonnepanelen.