1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. De burgemeester stelt nadere regels vast.

  3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerde lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  4. De vergunning kan voor een periode van maximaal vijf jaar worden verleend.

  5. De vergunning die voor een periode van meer dan één jaar is verleend, vervalt van rechtswege indien zich wijzigingen voordoen die betrekking hebben op de organisatie, activiteiten, de locatie of de omvang van het evenement.

  6. Indien een aanvraag om vergunning of ontheffing voor een evenement niet tijdig wordt ingediend voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

  7. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  9. De burgemeester kan binnen zeven werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  10. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  11. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een landelijk georganiseerde straatspeeldag.

  12. Het verbod van het eerste lid geldt ook niet voor lampionnenoptochten en wandeltochten en recreatieve fietstochten met maximaal 200 deelnemers en voor zover:

    1. de optocht niet breder is dan een weghelft;

    2. er bij een groepsomvang van 20 personen of meer voor en achter de optocht auto’s rijden met in werking zijnde knipperlichten dan wel voor en achter de optocht begeleiders in reflecterende vesten lopen of fietsen.

  13. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.