1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  3. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid;

    3. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    4. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    5. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen;

    6. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

    7. kabels of snoeren ten behoeve van het opladen van elektrische voertuigen, uitsluitend voor zover deze zijn geplaatst in door de gemeente aangelegde kabelgoottegels. Het college kan nadere regels vaststellen over de aanleg en ingebruikname van de kabelgoottegels.

  4. In afwijking van het eerste lid wordt in de volgende gevallen volstaan met een melding:

    1. afsluiten van een (gedeelte) van een straat ten behoeve van een hoogwerker;

    2. het plaatsen van een (afval)container, bouwkeet en dixi’s, mits deze niet meer dan twee parkeerplaatsen innemen.

  5. Voor beide gevallen geldt dat de objecten niet langer dan twee weken blijven staan en er minstens 3,5 meter vrije ruimte blijft voor hulpdiensten.

  6. De melding bedoeld in lid vier is gedaan wanneer het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en ten minste tien werkdagen voorafgaand aan de werkzaamheden is gedaan.

  7. Het bevoegde bestuursorgaan kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding bedoeld in lid vier besluiten om de beoogde werkzaamheden te verbieden, als er sprake is van de weigeringsgronden uit lid twee.

  8. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  9. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

  10. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  11. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.