1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder exploitatievergunning van de burgemeester.

  2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. zorginstelling;

    3. museum; of

    4. bedrijfskantine of -restaurant;

    5. rouwcentra, begraafplaatsen en crematoria.

  3. Een exploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd, tenzij in de exploitatievergunning anders staat vermeld of sprake is van een coffeeshop. In geval van een exploitatievergunning voor een coffeeshop wordt de vergunning verleend voor de maximale duur van tien jaar.

  4. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

  5. De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan;

    2. de ondernemer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. de ondernemer of de leidinggevende onder curatele staat;

    4. de ondernemer of de leidinggevende niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;

    5. naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting door de aanwezigheid van de openbare inrichting nadelig wordt beïnvloed;

    6. de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen beslissing;

    7. voor de openbare inrichting een vergunning krachtens artikel 3 van de Alcoholwet is vereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, of de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten.

    8. de ondernemer of de leidinggevende het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt;

    9. de ondernemer of de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting activiteiten plaatsvinden, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    10. zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    11. er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  6. Bij de toepassing van de in het lid 5 onder e genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;

    2. de aard van de openbare inrichting;

    3. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

    4. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en

    5. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

  7. De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van de vergunningaanvraag.

  8. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  9. Op het exploiteren van een bestaande openbare inrichting (peil datum 01-02-2025) is het ingestelde in lid 1 niet van toepassing:

    1. tot en met 1 juni 2026;

    2. na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in lid 1 heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester een besluit is genomen.