1. Dit artikel verstaat onder:

    1. Meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet;

    2. Vaste mest: dierlijke mest als bedoeld in artikel 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

    3. Overige organische mest: overige organische meststoffen als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

    4. Compost: product als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Mest-stoffenwet;

    5. Oogstrestanten: afvalstoffen als bedoeld in de Vrijstellingsregeling planten-resten en tarragrond;

    6. Zuiveringsslib: slib als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

    7. Grond: bouwland, maïsland en grasland;

    8. Geurgevoelig object: gevoelig object als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij;

    9. Emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: ‘tijdens het uitrijden van de dierlijke mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt’;

  2. Behoudens het bepaalde in of krachtens de Wet Milieubeheer is het verboden vaste mest, overige organische mest, zuiveringsslib en oogstrestanten op te slaan, indien deze opslag (te rekenen vanaf het tijdstip van eerste aanvoer) langer aanwezig is dan 48 uur, maar niet langer dan veertien dagen.

  3. Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het verboden op gronden dierlijke meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op de volgende feest- en gedenkdagen: Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag.

  4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt tevens niet indien op een akkerbouw-perceel vaste mest en overige organische mest is opgeslagen die bestemd is voor bemesting van het betreffende perceel. Pluimvee- en nertsenmest dient binnen 24 uur na de eerste aanvoer te worden voorzien van een 15 cm dikke afdeklaag compost.

  5. Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.

  6. Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede en derde lid gestelde verboden.

  7. De in lid 4 aangegeven vrijstelling van het in lid 2 omschreven verbod geldt slechts indien de opslag plaatsvindt op ten minste een afstand van 100 meter van een geur-gevoelig object dat is gelegen binnen de bebouwde en op ten minste 50 meter van een geurgevoelig object dat is gelegen buiten de bebouwde kom.

  8. Vervoer van meststoffen dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een, naar het oordeel van het college, deugdelijke staat verkeren.