1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid een verblijfsontzegging bekendmaken.

  2. Het is degene aan wie door de burgemeester een verblijfsontzegging is bekendgemaakt, verboden zich te bevinden op of aan de door de burgemeester in die verblijfsontzegging aangewezen wegen of plaatsen, gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende een in de verblijfsontzegging genoemde periode van ten hoogste twaalf (12) weken.

  3. Het in het tweede lid bedoelde verbod geldt niet indien degene aan wie de verblijfsontzegging is bekendgemaakt zich bevindt in een openbaar vervoermiddel, tenzij in de verblijfsontzegging uitdrukkelijk anders is bepaald.

  4. De burgemeester stelt nadere regels omtrent de toepassing van dit artikel, de omstandigheden die kunnen leiden tot een verblijfsontzegging en de duur ervan.